Oma Geeske

Geplaatst op: oktober 4, 2024

In mijn blog Mantelzorg noemde ik heel kort de oma van Judith. Oma Geeske van 102 jaar oud. Ik plaatste een uitroepteken achter haar leeftijd om aan te geven dat 102 echt wel heel erg oud is. Helaas is 102 ook haar eindleeftijd geworden. 

Enige tijd geleden overleed ze in alle rust te midden van haar naasten, zoals dat zo mooi heet. Sinds ik Judith ken -al meer dan 30 jaar- heb ik dus een extra oma gehad. Ook toen mijn eigen opa’s en oma’s al lang waren overleden was er altijd nog een oma. Ik had een speciale band met Oma Geeske, wellicht omdat ik na haar zoon en zeven kleindochters in 1992 weer de eerste man was die zich nestelde in haar familie. Daar had ze in het begin best moeite mee, een man. Niet alleen met mij, maar met mannen in het algemeen. Haar eigen man overleed op hele jonge leeftijd. Oma was toen in de veertig. Ze heeft de rest van haar leven als zelfstandige vrouw haar eigen boontjes gedopt en vond -zo hield ze mij voor tijdens mijn allereerste ontmoeting met haar- mannen maar een gedegenereerd soort! Daar zat ik dan, mijn eerste kennismaking met de oma van mijn nieuwe vriendin. Laten we zeggen: “Het begon wat stroefjes”. 

Later, er kwamen meer klein-schoonzonen en ik bleek toch niet zo gedegenereerd als ze had verwacht, boterde het steeds beter tussen ons en toen ik de laatste jaren me ook nog eens ontpopte als haar vaste boodschappenjongen kon ik helemaal niet meer stuk bij oma. Oma was kordaat, zegde altijd waar het op stond en kon soms ook echte commando’s geven. Mijn vader noemde haar op een gegeven moment liefkozend ‘de kleine Generaal’ nadat ze hem weer eens had verteld hoe hij iets (beter) moest doen en/of (beter) moest klaarmaken. Maar Generaal of niet, ze was altijd vrolijk en kon als geen ander omdenken. Had ze last van haar benen zei ze: “Gelukkig heb ik er maar twee en geen drie”. Was het slecht weer zei ze, “Beter slecht weer dan geen weer”.  

Dat omdenken kom ik ook vaak tegen in mijn letselschadepraktijk. Slachtoffers die niet kijken naar wat ze niet meer kunnen maar kijken naar wat ze nog wel kunnen. Slachtoffers die kunnen omdenken hebben vaak een andere insteek wat betreft hun letselschadezaak. Omdenkers zijn in staat van niets toch iets te maken. Door zich soms tegen alle adviezen in, in te zetten voor de dingen en werkzaamheden die ze nog wel kunnen in plaats van zich neer te leggen bij de gevolgen van het ongeval en de beperkingen die dat met zich meebrengt.  Omdenkers zijn niet de makkelijkste klanten, omdat ze door hun pogingen veel meer te doen dan hen wordt geadviseerd, soms ook wel eens het lid op de neus krijgen.

Maar een mooi voorbeeld van omdenken hoorde ik laatst van een psycholoog die een klant van mij bijstond. Die had gezegd, toen de klant verzuchtte dat iedereen hem vroeg of hij alweer de oude was, waarom hij de volgende keer niet zou antwoorden: “Ik ben niet meer de oude, ik ben de nieuwe”. Kijk dat vind ik mooi. Dat soort omdenken helpt. 

Als ik overigens binnenkort weer eens een klant spreek waarbij het -ondanks alle omdenkpogingen-  niet lukt,  zal ik hem of haar nog een wijsheid van Oma Geeske voorhouden: “Gewoon het ene been voor het andere zetten en doorgaan”.
Met die instelling (en uiteraard een dosis geluk) kun je dus 102 worden!

Lees meer

Helmplicht

Geplaatst op: september 13, 2024

Zoals je weet en eerder hebt kunnen lezen in mijn vrijmiblo’s heb ik een gruwelijke hekel aan fatbikes. Daarin sta ik overduidelijk niet alleen. Recent werd zelfs de kersverse minister van infrastructuur, meneer Madlener, zwaar onder vuur genomen door onze Tweede Kamer omdat ook voor onze volksvertegenwoordigers de maat klaarblijkelijk vol is. Een meerderheid van de kamer vroeg de minister om een verbod op fatbikes of anders een leeftijdgrens en een helmplicht in te stellen voor de berijders van fatbikes.
Uit het artikel dat de NOS er aan wijdde:

“Minister Madlener van Infrastructuur en Waterstaat voelt wel iets voor een helmplicht voor jonge gebruikers van elektrische fietsen, waaronder fatbikes. Zo’n plicht tot een bepaalde leeftijd bestaat al in Zweden en hij wil kijken of dat ook in Nederland kan.”

Volgens mij slaat deze minister de plank echter volkomen mis met zijn ‘gevoel’.  Het verplichten van een helm voor jeugdige fatbike-rijdertjes werkt volgens mij averechts. De onnozele halzen die nu al telefonerend en vapend rondtuffen op hun fatbikes zullen daardoor waarschijnlijk nog meer het gevoel krijgen onaantastbaar te zijn. Hun toch al niet ontwikkelde frontale voorkwabjes zijn dan immers ook nog eens beschermd tegen (onge)vallen. Wat kan hen gebeuren?

Ik vind dat er een helmplicht moet komen voor alle andere fietsende weggebruikers.
Ik leg je uit waarom ik dat vind.

Ik weet niet of het jullie is opgevallen maar het lijkt wel alsof met de komst van de fatbikes er een soort algemene verloedering en verwaarlozing van de verkeersregels en – normen de kop op heeft opgestoken. Ik merk om mij heen dat fatsoensnormen in het verkeer vrijwel volledig zijn verdwenen. Let wel; bij alle soorten weggebruikers. Over fietsende pubers schreef ik ook al eerder maar ik zie het ook bij bestuurders van brommers, scooters, scootmobielen, elektrische stepjes, bestelbusjes, auto’s en ga zo maar door. De meesten lijken al rijdend met andere dingen bezig te zijn dan met het verkeer om hen heen waarbij andere verkeersdeelnemers eerder worden gezien als hinderlijke pionnen waar omheen geslalomd moet worden dan als te respecteren mede verkeersdeelnemers. Het wordt iedere dag gevaarlijker om naar kantoor te fietsen door al die verkeersgekken om me heen. Dat de minister het vervolgens een goed plan vindt om dan alleen jeugdige fatbikertjes te verplichten een helm te dragen lijkt me onder de door mij geschetste omstandigheden volstrekt onvoldoende om mij te beschermen tegen de steeds toenemende risico’s op ongelukken op de fiets en de gevolgen daarvan.

Enige tijd geleden heb ik tegenover mijn vader en schoonmoeder een gloedvol betoog gehouden om ze te doordringen van het nut en de noodzaak om een helm te dragen op de fiets. Beiden hebben mij plechtig beloofd niet meer zonder op de fiets te stappen. Maar toen ik voormeld NOS-artikel las en me weer begon op te winden heb ik de knoop doorgehakt. Ik heb zelf een fietshelm gekocht. Mijn Van Moof – hij doet het nog steeds – haalt makkelijk 25 kilometer per uur en ik ben ook niet meer de jongste. Daarnaast heb ik ervaring met fietsongelukken en realiseerde ik me dat de beste stuurlui altijd vanaf de wal staan te roepen hoe het moet. Ik heb daarom letterlijk het stuur in handen genomen, ben niet op de wal blijven staan roepen en ben zelf een helm gaan dragen in het verkeer.

Om die reden ben ik dan ook een groot voorstander van de helmplicht voor alle fietsers. Niet omdat dat leidt tot minder fietsongevallen met hersenletsel – dat is immers mijn verdienmodel – maar omdat ik dan niet als enige relatief jeugdige als een soort “Willempie” door Emmen fiets. 

Lees meer

Mantelzorg

Geplaatst op: augustus 30, 2024

Het is nooit makkelijk om te erkennen, maar ik merk dat ik steeds ouder word. Dat voel ik vooral na een potje padel. De wijze waarop ik na een wedstrijdje of training weer naar huis strompel spreekt wat dat betreft boekdelen. Een wetmatigheid die hoort bij het ouder worden is dat de mensen om je heen dat ook worden. Zo ook mijn vader en Judith haar moeder.  Zij zijn inmiddels op een respectabele leeftijd aangekomen en dat ouderdom met gebreken komt hebben we recent ervaren. 

Zowel Judith haar moeder als mijn vader hadden om verschillende (niet nader te noemen) medische redenen hulp nodig de afgelopen maanden. Beiden zijn recent geopereerd en zowel voor als na die operatie waren ze, zoals dat heet, hulpbehoevend. Dat betekende voor ons en voor mijn (schoon)zus en zwagers uiteraard dat we klaar stonden om boodschappen te doen, met ze mee te gaan naar ziekenhuisafspraken en ze te helpen bij alle verder voorkomende taken in en om het huis die zij beiden (naar het zich gelukkig laat aanzien tijdelijk) niet zelf meer konden verrichten. Uiteraard deden en doen we dat met alle liefde en traden we op deze wijze toe tot de steeds groter wordende groep mantelzorgers.

Zoals zo vaak moet er eerst in je eigen omgeving iets gebeuren dat je doet beseffen dat anderen veel vaker, langer en veel indringender geconfronteerd worden met het fenomeen mantelzorg. Als ik alleen al in mijn letselschadepraktijk kijk, zie ik dat heel veel slachtoffers niet zonder kunnen en aangewezen zijn op de hulp van partners, kinderen en/of familie. Mijn taak is het dan om die hulp te waarderen op geld en daarvoor een vergoeding te regelen bij de aansprakelijke verzekeraar. Maar mantelzorg was voor mij – behalve dan iedere zaterdag boodschappen doen voor Judith haar oma van 102!- altijd iets abstracts, iets wat er was en onderdeel was van de te begroten en te verhalen schade in letselschadezaken.

Een voorbeeld uit de letselschade ter verduidelijking: mevrouw “die en die” is hulpbehoevend geworden door een ongeval. Haar man doet nu alle taken in het huis en daarvoor vorder ik (bijvoorbeeld) 5 uur per week tegen betaling van 11,50 Euro per uur. Dat bedrag zet ik op de schadestaat die ik naar de verzekeraar stuur met het verzoek dat bedrag aan mevrouw “die en die” te betalen.

Mantelzorg wordt in de letselschadewereld geregeld (zoals meerdere onderdelen van de letselschade) middels zogenaamde richtlijnen van de Letselschaderaad. De eerste drie maanden na een ongeval gaat het om vaste normbedragen, daarna wordt beoordeeld hoeveel uur er aan mantelzorg nodig s en die uren worden vergoed tegen 11,50 Euro per uur. Een dergelijke richtlijn is er ook voor het niet kunnen verrichten van klussen in en om het huis. Bijvoorbeeld: Dezelfde mevrouw “die en die’ deed niet alleen het hele huishouden, ze schilderde ook nog eens het haar huis en deed ook al het tuinonderhoud. De man van mevrouw “die en die” is waarschijnlijk advocaat, niet erg handig en van nature wat lui, maar dat ter zijde. Omdat het werk in en om het huis nu uitbesteed moet worden vorder ik van de aansprakelijke verzekeraar een vergoeding wegens verlies aan zelfwerkzaamheid. Daarvoor bestaat ook weer een richtlijn. Deze richtlijnen worden -behoudens bijzondere gevallen- gebruikt in letselschadezaken om de mantelzorg te vergoeden.

Maar in de echte wereld – dus zonder aansprakelijke verzekeraars- is mantelzorg te scharen onder de richtlijn “liefdewerk-oud-papier”. Ik heb het uiteraard met liefde gedaan maar mijn respect voor de echte mantelzorgers is de afgelopen tijd wel fors toegenomen.

Lees meer

Reclame

Geplaatst op: augustus 13, 2024

Terwijl ik deze vrijmiblo typ zijn we op vakantie in Spanje. Onze dochter Lies is komen invliegen en houdt ons een week gezelschap terwijl we door grote delen van Spanje trekken. We maken een roadtrip. We bezochten inmiddels in Baskenland de steden Burgos en Leon, daarna reden we naar Madrid en via Zaragoza zijn we nu aangekomen in Catalonië, in het slaperige bergdorpje Pontons. Van de drie weken zijn er nu twee voorbij. 

Hoewel we normaliter onze kilometers aan ons laten voorbij laten glijden begeleid door meerdere playlisten van Spotify hebben we nu eigenlijk elke dag in de auto geluisterd naar Radio 1. Radio Olympia om precies te zijn. We vertrokken op de eerste dag van de Olympische Spelen en waren zo live getuige van de verrichtingen van de Nederlandse olympische equipe. We hebben meerdere vaderlandse sporters horen winnen en/of teleurgesteld horen afdruipen. Radiocommentaar bij sportwedstrijden blijft fascinerend om naar te luisteren hoewel sommige commentatoren soms verslag moeten doen van sporten waarvan je direct hoort dat ze er te weinig verstand van hebben. Ga er ook maar aanstaan, zo versla je voetbalwedstrijden en zo moet je aan je luisteraars overbrengen wat er gebeurt op een beachvolleybalveld. Ik denk dat het als luisteraar sneller opvalt als een commentator door de mand valt omdat je eigenlijk alleen maar af kunt gaan op het commentaar. Als je de wedstrijd ook ziet wordt het commentaar ondergeschikt aan het beeld, denk ik. Maar sommige commentatoren kunnen zo goed verslaan dat het luisteren spannender wordt dan het kijken. Maar goed, los van de miskleunen van de commentator van de beachvolleybal wedstrijden -volgens mij werd die later ook vervangen- hebben we enorm genoten van de spelen en de wijze waarop Radio 1 verslag daarvan deed. Ik denk dat menig Spaanse automobilist ons vreemd heeft aangekeken als we weer eens een gouden medaille vierden in de auto of onze teleurstelling hard schreeuwend uitten. 

Wat ons overigens opviel waren de vele reclamespotjes die sommige bedrijven klaarblijkelijk op grote schaal hadden ingekocht.  Het Nederlands Mathematisch Instituut leert uw kind in twaalf weken foutloos rekenen en praat de ouderlijke luisteraar een schuldgevoel aan door de STER-spot te beginnen met de stelling dat een kind dat een onvoldoende staat op rekenen slechtere carrièrekansen heeft. Maar een soortgelijk instituut leert uw kind ook begrijpend lezen in evenzoveel weken. Dan komt ook met grote regelmaat de belerende meneer van een kinderrechtenstichting voorbij die de luisteraars voorhoudt dat “we” de spelregels zo belangrijk vinden als het om de Olympische Spelen gaat maar vergeten als het over kinderrechten gaat. Hoezo, we?! 

Deze reclames komen tientallen keren per dag voorbij. En dan heb ik het nog niet eens over al die de Beter Horen achtige “wij vergoeden uw eigen bijdrage” reclames. Echt superirritant, die radioreclames.

Zelf maak ik overigens ook reclame. De campagnes die ik voor de vakantie weer heb opgestart moeten vooral letselschade slachtoffers overtuigen mij te bellen na een ongeluk waarbij ze letsel hebben opgelopen. Degene die die campagnes bedenkt voor mij heeft ook de website laten aanpassen. En dat heb ik geweten. Als je deze vrijmiblo wilt lezen komt er direct een pop-up. Ook nu en ook deze keer heb je die pop-up weg geklikt anders ben je niet tot deze één na laatste alinea gekomen. Die pop-up is voor de aanvraag van een gratis adviesgesprek. De lezers van de vrijmiblo hebben dat blijkbaar (en voor jullie gelukkig) niet nodig maar jullie irriteren je er wel aan. Dat blijkt uit de vele privéberichtjes die ik krijg waarin jullie klagen over deze irritante pop-up die -naar ik aanneem- jullie leesplezier verstoort. 

Ik wilde na jullie commentaar de pop-up eerst weer laten verwijderen maar realiseer me na twee weken radio luisteren dat ik dat juist niet moet doen omdat reclame nu eenmaal bloedirritant moet zijn. Zolang ik mijn geld verdien met het helpen van mensen en niet met het schrijven van blogs zullen jullie de pop-up dus gewoon moeten blijven s(wegk)likken. 

Lees meer

je

Geplaatst op: juli 16, 2024

Het EK voetbal is weer voorbij. Daar waar ik prachtige herinneringen heb aan het gouden EK van 1988, waar Marco Van Basten in de halve finale tegen Duitsland in bijna dezelfde minuut het lot van Duitsland bezegelde als Ollie Watkins dat nu met ons deed, zal dit EK niet lang in mijn geheugen gegrift blijven. Ik miste de bezieling, de vechtlust en de absolute wil om te winnen ten koste van alles bij dit Nederlandse elftal. Het moderne voetbal  – althans als we er van uitgaan dat de landen die in elk geval de halve finales haalden modern voetbal spelen- is verworden tot een combinatie van walking-footbal en schaken. ‘Not my cup of tea’. Ik kijk dan liever naar een mooie pot rugby.

Meer dan van de wedstrijden zelf geniet ik overigens van de interviews met de spelers en trainers na afloop van elke wedstrijd. Wat me daarin telkens weer opvalt is het gebruik van het woordje ‘je’. Let bijvoorbeeld maar eens op Ronald Koeman. Gevraagd naar een bepaalde situatie of beslissing heeft Koeman het steevast over ‘je’ als hij ‘ik’ bedoelt.

Als je De Dikke Van Dale er (digitaal) op naslaat staat er bij ‘je’:

1 je (persoonlijk voornaamwoord; 2e persoon enkelvoud). 2 je (bezittelijk voornaamwoord) 3 je (onbepaald voornaamwoord)

Dus Koeman gebruikt vaak het woord ‘je’ waar hij eigenlijk ‘ik’ bedoelt. ‘Ik’ is een persoonlijk voornaamwoord; 1e persoon enkelvoud. “Waarom zou hij dat doen?”, vraag ik me af. Waarom in de 2e persoon over jezelf spreken?  

Het lijkt erop dat hij op deze manier zichzelf wat uit de wind probeert te houden. Als je zegt, “je wilt altijd mooi en verzorgd voetbal laten zien” lijkt het alsof hij zegt dat een ander (2e persoon enkelvoud) altijd mooi en verzorgd wil spelen niet dat ‘ik’ (1e persoon enkelvoud) altijd verzorgd en mooi voetbal wil spelen. Alsof het niet over hem gaat maar om een ander of een instantie; de bondscoach en niet Ronald Koeman. Maar niet alleen Koeman maakt zich schuldig aan dit verschuilende taalgebruik. Ik veel meer interviews met spelers hoor ik ‘je‘  waar ‘ik’ wordt bedoeld. “Je weet dat ze hoog druk zetten”, antwoordde de speler op een vraag van de  interviewer. Deze speler bedoelde niet dat de interviewer dat weet, maar dat hij -de speler-  dat weet. Toch lijkt het niet om de speler in persoon te gaan te gaan maar om een ander. Ik blijf het vreemd vinden. Vooral omdat ik ‘je’ nooit hoor als een speler zelf iets goed heeft gedaan; “Ja, ik raakte hem precies goed!”, hoorde ik dezelfde speler zeggen nadat hij had gescoord.

Ik denk dat een voorzichtige conclusie moet zijn dat als iemand ‘je’ gebruikt in plaats van ‘ik’ diegene eigenlijk probeert zijn eigen rol kleiner te maken en zich achter een ander te verschuilen. De schuld buiten zichzelf te leggen. Natuurlijk wil Koeman altijd mooi en verzorgd voetbal spelen maar hij kan er niets aan doen als dat niet lukt, dan ligt dat aan de bondscoach, niet aan Koeman als persoon. Een pijnlijke ervaring kan klaarblijkelijk beter in de ‘je-vorm’ worden beschreven dan in de ‘ik-vorm’. Een positieve ervaring wordt dan weer gemakkelijker in de ‘ik-vorm’ geduid.

Met deze pseudowetenschappelijke verklaring in mijn achterhoofd zal ik eens wat meer gaan letten op het taalgebruik van mijn tegenpartijen. Een schuldenaar die zich verweert  in de ‘je-vorm’ zou zich wel eens schuldig kunnen maken aan wat ik in het vervolg een ‘verschuilend verweer’ ga noemen.

Lees meer

Fatbike

Geplaatst op: juli 5, 2024

Opa en Oma Venema woonden vroeger in Winschoten. Ze bestierden een pension aan de (toen) sjieke Paul Krügerstraat. Opa was een chagrijnige brompot die niets had met kinderen, laat staan kleinkinderen. De spaarzame tijd die hij voor mij vrij kon maken als ik er logeerde liepen we op mijn verzoek naar de winkel die motorfietsen verkocht op de hoek van de straat. Opa kende de eigenaar, de heer Smedes, van het koor en ik mocht in de winkel op de motoren zitten. De heer Smedes beloofde mij dat de zwarte Honda die in de etalage stond voor mij was gereserveerd.  Daarover dromend werd -terug in Hoogezand waar ik woonde- steevast mijn knaloranje Peugeot racefiets (met kilometerteller!) voorzien met een pottertjesdoosje op de voorvork met halve wasknijper die net de spaken raakte. Op die manier hoorde het al fietsend alsof je op een motor reed. Bij gebrek aan pottertjesdoosjes voldeed een stukje karton ook om een soortgelijk effect te bereiken.

Deze jeugdherinnering kwam bij mij op toen ik de recente artikelen las over de overlast gevende fatbikes. De motor-look-alikes met hun dikke lawaaiige banden, (vaak) bereden door nonchalant ogende pubers (meestal zijn het er twee per fatbike) die zonder enige inspanning -zoals het hun generatie betaamt- binnensteden onveilig maken. Ze halen met gemak snelheden van meer dan 30 kilometer per uur en de jonge berijders lappen alle verkeersregels aan hun sneakers. Hoogst irritant en levensgevaarlijk. Er gaan vele stemmen op om de overlast van deze fatbikes tegen te gaan. Je hoeft de sociale gremia er maar op na te slaan of je leest verhalen van slachtoffers die aangereden werden door pubers op fatbikes, fatbike-bestuurdertjes die zelf in de kreukels liggen of gemeentebestuurders die fatbikes willen verbieden.    

Het probleem van de fatbike kent volgens mij twee aspecten. Ten eerste de berijders en ten tweede de mogelijkheid ze zeer eenvoudig op te voeren. Om met dat laatste te beginnen. In het centrum van Emmen kijkt niemand er meer vreemd van op als je -gezeten op het terras van de Brasserie- fatbikes voorbij ziet razen die makkelijk 45 kilometer per uur gaan. Dit soort opgevoerde fatbikes zijn eigenlijk brommers en door ze op deze wijze te berijden zijn de bestuurders strafbaar. De bestuurders rijden onverzekerd rond want brommers zijn motorvoertuigen en motorvoertuigen moeten verplicht verzekerd zijn. Wordt iemand aangereden dan is de veroorzaker dus niet verzekerd, ook niet onder de aansprakelijkheidsverzekering van de ouders, en moet de letselschade van het slachtoffer uit eigen (lees papa’s of mama’s) zak betaald worden.

De puber hoeft op de fatbike niet te trappen omdat menig fatbike een gashendeltje heeft. Tegelijkertijd op je telefoon kijken is dan heel gemakkelijk. Daarnaast laat de kennis van de verkeerregels bij menig puber zeer te wensen over, zo ervaar ik regelmatig. Ze rijden op de fatbikes alsof ze in een Mario Kart-game figureren.

Ik snap het best. De fatbike is superstoer en voor een 12-jarige lijkt het op de brommer of motor die je later wilt hebben. Daarnaast zijn ze vaak ook nog goedkoper dan een solide saaie e-bike. Zeker, de aantrekkingskracht van de fatbike op de jeugd snap ik -gezien ook mijn inleiding- drommelsgoed. Maar toch zouden ze verboden moeten worden, de fatbikes. Of op zijn minst zou er een leeftijdsgrens voor bestuurders moeten komen en vanaf de fabriek een snelheidsbegrenzer die niet te omzeilen is.

Je zult je na deze moraliserende Vrijmiblo wellicht afvragen hoe het is afgelopen met mijn Honda die in Winschoten voor me klaarstond. Daarover kan ik kort zijn. Toen mijn neef Mark uit Veendam – net zou oud als ik- op een dag vlak na zijn 16e verjaardag trots zijn Zundapp kwam showen en ik een stukje mocht rijden vloog ik pardoes en hard door de heg van de buren. Dat was de eerste en enige keer dat ik op een brommer of motor heb gereden.  

Lees meer

ja heb je

Geplaatst op: juni 20, 2024

Als ik vroeger iets graag wilde maar het niet durfde te vragen zei mijn moeder altijd: “Vraag het nou gewoon; ‘Nee heb je, ja kun je krijgen’!”. Deze wijsheid leerde me om in sommige gevallen toch de stoute schoenen aan te trekken. Als je het niet vraagt heb je immers niets. Pas als je erom vraagt heb je een kans dat je wel iets krijgt. Deze levensles leverde me bijvoorbeeld mijn eerste vriendinnetje op maar ook voor de serieuzere vragen in het leven gold: ‘Nee heb je, ja kun je krijgen’.

Of de werkneemster met een tijdelijk contract in de rechtszaak waarover ik recent las ook zo’n levensles van haar moeder had meegekregen weet ik niet maar indachtig dat advies vroeg zij in een mailtje aan haar werkgever of deze genegen was haar een vast contract aan te bieden. Dat wilde zij graag hebben, aldus haar mail. De werkgever, te druk of wellicht niet gediend van dergelijke brutale vragen, reageerde niet op deze mail.

Toen het einde van het tijdelijke contract zich aandiende zegde de werkgever de werkneemster aan dat haar contract niet werd verlengd. Keurig op tijd en niets aan de hand zou je zeggen. Tegelijkertijd hoor ik je denken: “Dan was het ook geen rechtszaak geworden”!? Terecht gedacht.

Wat was het geval? In Nederland kennen we de Wet flexibel werken. Deze wet bepaalt onder anderen dat de werknemer kan de werkgever verzoeken om aanpassing voor al dan niet wisselende perioden en met al dan niet verschillende omvang van de uit zijn arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling voortvloeiende arbeidsduur, arbeidsplaats of werktijd. Deze wet bepaalt dus als je een flexibel contract hebt, bijvoorbeeld flexibele uren of verschillende dagen of standplaatsen, dat je een verzoek kunt richten tot je werkgever -nadat je een half jaar hebt gewerkt- om aanpassing van deze arbeidsomstandigheden. De bedoeling lijkt duidelijk. Als je weinig vastigheid in je werk hebt kun je de werkgever verzoeken daar verandering in te brengen. De werkgever moet daar schriftelijk op reageren en wel binnen een maand. Reageert de werkgever niet dat wordt het verzoek van de werknemer geacht te zijn goedgekeurd.

Lange tijd werd gedacht dat de verzoeken die de werknemer kan doen op grond van de Wet flexibel werken vooral gestoeld konden worden op de uren en de wijze waarop de werkzaamheden werden verricht. Dus een verzoek tot meer vaste uren in de week, meer duidelijkheid over de plaats waar de arbeid verricht diende te worden etc. Dat een verzoek ook een verzoek om een vast contract in plaats van een tijdelijk contract zou kunnen behelzen werd niet gedacht/geloofd. Volgens de Kantonrechter te Roermond is dat dus wel het geval, getuige deze uitspraak.

De werkneemster vroeg om een vast contract. Zij had al ‘ja’ en kon ‘nee’ krijgen. Als de werkgever (tijdig) had gereageerd was het ook ‘nee’ geworden. Omdat de werkgever dat niet had gedaan had de werkneemster een vaste baan! De vlag kon echter niet uit bij de werkneemster. De rechtszaak werd uiteraard pas gestart nadat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet had willen verlengen. De werkneemster dagvaardde de werkgever omdat haar tijdelijke contract niet werd verlengd. Dat deed zij echter niet binnen twee maanden na het niet rechtsgeldige einde van dat contract en dat was te laat. De arbeidsovereenkomst kon niet meer worden hersteld door de kantonrechter.  

Deze werkgever had dus geluk maar laat het een les zijn voor werkgever en werknemer. De werknemer heeft dus ‘ja’ en de werkgever moet tijdig ‘nee’ zeggen (lees schrijven!) ook bij een verzoek om een vast contract.

Lees meer

Fuck up

Geplaatst op: juni 7, 2024

Twee weken geleden werd ik door Durk Piet, je weet nog wel, van het filosofie café, uitgenodigd voor een “Fuck-Up Night”.  Ik had toen ik zijn appje las direct allerlei wilde gedachten maar desgevraagd bleek het te gaan om een bijeenkomst bij Growing Emmen waar ondernemers openhartig zouden doen van de fuck-ups in hun carrière. Mijn nieuwsgierigheid kreeg de overhand bij mijn overwegingen al dan niet in te gaan op zijn uitnodiging. Want zeg nou zelf, naar iemand zijn succesverhaal luisteren is toch veel minder leuk dan naar iemand luisteren waarbij iets vreselijk is mislukt. Dus met enige voorpret in de vorm van een verlangen naar leedvermaak heb ik zijn uitnodiging geaccepteerd en togen wij naar Growing Emmen waar al een podium klaar stond als ware het een soort moderne schandpaal, inclusief spotlight.

Het programma kende drie plaatselijke sprekers die alle drie iets vertelden over de mislukkingen gedurende hun loopbaan.  Drie verschillende sprekers met drie verschillende verhalen en soorten fuck-ups zorgden echter geenszins voor leedvermaak. Eerder voor bewondering voor hun lef en openheid omdat ze zich kwetsbaar durfden op te stellen en hun eerlijke verhalen zorgden uiteindelijk (althans bij mij) ook voor enige zelfreflectie.

Want “Wat is nou eigenlijk een fuck-up?” vroeg één spreker zich hardop af. Hij gaf zelf het antwoord op die vraag door te stellen dat het pas een fuck-up is als je iets verkloot maar er niets van leert. Verder filosoferend, ik was immers met Durk Piet, drong zich de vraag op of je sowieso niet af en toe een fuck-up moet hebben (ervaren) om te groeien en te leren. Als mens maar ook als ondernemer. Ik moest meteen denken aan één van de grootste sporters aller tijden; Michael Jordan. Deze basketballegende heeft meerdere quotes op zijn naam staan maar deze is echt passend:

 “I’ve missed more than 9000 shots in my career. I’ve lost almost 300 games. 26 times, I’ve been trusted to take the game winning shot and missed. I’ve failed over and over and over again in my life. And that is why I succeed.”

Reflecterend op de avond moet ik bekennen dat mijn loopbaan ook wel een aantal fuck-ups heeft gekend. De grootste maakte ik waarschijnlijk begin deze eeuw toen ik veel te dure aandelen in een letselschadekantoor kocht met veel te veel geleend geld, nog meer hoop op een goede afloop en in de naïeve veronderstelling dat het allemaal wel vanzelf mijn kant op zou komen. 10 Jaar later was ik een aantal illusies armer en allerminst rijker dan voorafgaand aan dat avontuur. Sterker; er resteerde een restschuld en het heeft daarna ook weer een tijd geduurd voordat ik die had ingelost. Ik heb er wel heel veel van geleerd.

Ik heb geleerd dat snel niet altijd goed en meer niet altijd beter is. Ik heb ook geleerd dat je niet blind moet vertrouwen op anderen. Maar de belangrijkste les was waarschijnlijk het zelfinzicht dat ik geen echte ondernemer ben. Natuurlijk vind ik het fijn eigen baas te zijn, een eigen bedrijf(je) te hebben en om zelf alle beslissingen te nemen maar dat is alleen maar fijn omdat ik op die manier mijn werk kan doen op de manier waarop ik vind dat ik het moet doen; op de inhoud en niet om de vorm.

Was het dan wel een echte fuck-up, dat aandelenavontuur? Als ik aan alle zorgen en de slapeloze nachten uit die periode terugdenk, moet het antwoord wel ‘ja’ zijn. Anderzijds heb ik er veel van geleerd en heb niet weer dezelfde fouten gemaakt. Zo bezien was het dus geen echte fuck-up. Al vrees ik dat ik bij een volgende Fuck-Up Night wel eens een avondvullend programma zou kunnen verzorgen.   

Lees meer

Kamers

Geplaatst op: mei 24, 2024

Afgelopen maand hebben Judith en ik onze dochter Lies (weer eens) verhuisd. Ze studeert in Groningen en heeft sinds kort haar vierde kamer betrokken. Ze woonde met een vriendin in een burgerbuurt in een nieuwbouwappartement maar miste daar het studentengevoel. Hoewel ze er qua vierkante meters op achteruit is gegaan, snap ik haar wel. In de buurt waar ze woonde waren die  zaterdagochtend – toen we als verhuizers arriveerden- al meerdere dames op leeftijd op de gezamenlijke parkeerplaats voor hun appartementen aan het ‘tuinieren’. Toen ik bij het achter uit inparkeren van de auto iets te dicht langs een boompje reed en per ongeluk een paardenbloem plette werd ik nog net niet gelyncht. Zo’n buurt dus. Het huidige huis, dat ze deelt met een handvol andere studenten, ademt studentenhuis. Gipsplaten kamertjes om elke ruimte optimaal te verzilveren, sluipdoor-kruipdoor trappen en overloopjes, een keuken uit het jaar ‘30 van de vorige eeuw en een hoop gezelligheid (zeg maar, lekkere rotzooi). Judith en ik wisselden tijdens het verhuizen een paar keer een blik van verstandhouding. We moesten beiden terugdenken aan onze eigen studententijd en -kamers.

Zelf ben ik ook vier keer verhuisd tijdens mijn studie in Groningen. Ik begon in mijn eerste jaar op een kamer aan de Folkingestraat. Die straat zag er toen overigens niet zo gelikt uit als tegenwoordig en ik zie mijn ouders – ouders verhuizen hun studerende kinderen immers, dat is van alle tijden- nog met een bezorgde blik om zich heen kijken de eerste keer dat ze mijn (nieuwe) kamer bezochten. Vrij naar het Klein Orkest zagen ze letterlijk:
  “mensen wandelen langs porno en peepshow. En de neonreclames, die glitterend lokken: Kom dansen! Kom eten! Kom zuipen! Kom gokken!”.
Daarna ben ik nog drie keer verkast, de laatste verhuizing in Groningen was naar de Gorechtkade waar Judith en ik samen een echte flat betrokken. Daar woonden we totdat werk ons naar Emmen bracht.

Toen ik weer met een armvol planken de zoveelste trap opliep om via een smal gangetje uit te komen bij de kamer van Lies moest ik denken aan de letselschade slachtoffers die ik de afgelopen 25 jaar heb bijgestaan en die niet meer in staat waren zonder aanpassingen in hun eigen woning te blijven wonen. Slachtoffers die na een ongeval niet meer in staat zijn trap te lopen en/of aan een rolstoel gebonden zijn en niet meer in de eigen keuken kunnen koken, drempels kunnen beslechten laat staan naar de slaapkamer op de eerste verdiepding kunnen, zijn in  mijn praktijk geen uitzondering. Omdat de aansprakelijke partij -lees de verzekeraar- het slachtoffer zo veel mogelijk in een situatie moet terugbrengen ‘als ware het ongeval niet was gebeurd’ betekent dat vaak dat op kosten van de verzekeraar de woning moet worden aangepast. Vroeger werd het slachtoffer vaak verwezen naar het WMO-loket van gemeente en werd door de  verzekeraar een zak met geld op tafel gelegd waarbij het slachtoffer het zelf maar moest regelen. Dat is gelukkig tegenwoordig niet meer zo. Steeds meer verzekeraars nemen het aanpassen van een woning heel serieus, schakelen zelf deskundigen in en financieren de aanpassingen ook zelf.  Dat is voor slachtoffers prettig en zorgt vaak ook voor een veel meer betrokken verzekeraar. Herstelgericht dienstverlening wordt dat genoemd. In meerdere van mijn zaken werd er op deze manier voor gezorgd dat slachtoffers die zich niet meer in hun eigen huis konden redden geholpen met alle noodzakelijke woningaanpassingen.  In veel gevallen was dat het verschil tussen een eigen toegankelijk huis of verhuizen naar een verpleegtehuis.

Toen ik vervolgens met deze gedachte in mijn achterhoofd weer een trap afdaalde om weer een verhuisdoos op te halen realiseerde ik me dat huisjesmelkers diametraal het tegenovergestelde doen. Hun drang naar zoveel mogelijk kamertjes op zoveel mogelijk verdiepingen maakt dit soort studentenhuizen  vooral heel ontoegankelijk.

Lees meer

Malafide

Geplaatst op: mei 10, 2024

Malafide

Meer malafide letselspecialisten, branche wil er beschermd beroep van maken”, kopte de NOS afgelopen maand in chocolade letters op haar nieuwssite. De NOS was niet de enige die dit nieuws bracht. Mijn internet bubbel explodeerde en allerlei instanties buitelden over elkaar heen om dit bericht te duiden en van een mening te voorzien. In deze Vrijmiblo daarom een toelichting op deze artikelen en wellicht wat nuttige achtergrondinformatie.

Vooropgesteld; het gaat niet over advocaten. Wellicht zijn er wel malafide letselschadeadvocaten – ik ken ze niet- maar dit gaat over  letselschadespecialisten. Althans, over personen die zich specialist noemen en daarmee suggereren dat ze speciale kennis hebben op het gebied van letselschade. Iedereen in Nederland mag zich letselschadespecialist noemen. Als je het leuk vindt om slachtoffers te helpen bij het verhalen van hun schade mag het en als je denkt daar makkelijk geld mee te kunnen verdienen mag het ook. Het probleem  is dat niemand deze zelfverklaarde specialisten in de gaten houdt, niemand controleert deze zelfverklaarde specialisten en verkeersslachtoffers hebben vaak geen idee of hun specialist het wel goed doet. Ander probleem; de specialist zorgt dat hij betaald wordt door de verzekeraar van de aansprakelijke partij. Je krijgt als slachtoffer  dus geen facturen van je specialist die je zelf moet betalen. Nog problematischer wordt het als deze specialist met jou een zogenaamde no cure no pay overeenkomst aangaat en een percentage van je schade vraagt voor zijn inzet en achter je rug om ook zijn facturen declareert bij de verzekeraar. Gebeurt dat echt, zie ik je denken? Getuige voormeld artikel gebeurt dat echt.

Waarom gaat het dan niet over advocaten? Omdat advocaten een beschermd beroep hebben. Niet iedereen mag zich advocaat noemen. Daarvoor moet je enerzijds een rechten opleiding hebben afgerond en anderzijds zijn beëdigd als advocaat.  Voordeel voor het slachtoffer is dat een advocaat onder toezicht staat. Ik schreef daar al eerder een vrijmiblo over. Als je denkt dat je advocaat het niet goed doet en hij of zij kan je daarin niet geruststellen kun je terecht bij de Orde van advocaten. Daarnaast houdt de Orde in de gaten of een advocaat die stelt dat hij zich ergens in gespecialiseerd heeft ook opleidingen volgt op het gebied van zijn specialisatie. Ook is een advocaat verplicht verzekerd tegen beroepsfouten.

Dus een advocaat kan wel een specialist zijn maar een specialist is niet automatisch een advocaat. Om die reden wordt door de branchevereniging van letselschade specialisten een lans gebroken om ‘letselschadespecialist” een beschermd beroep te maken. Dat betekent dat je je alleen maar letselschadespecialist mag noemen als je bijvoorbeeld hebt voldaan aan een aantal (opleidings)voorwaarden. In Nederland bestaat een lijst met ‘erkende” beroepen, afgeleid van een Europese richtlijn. Een beroep daarin opgenomen is beschermd beroep. Naast opleidingseisen zijn er ook vereisten ter zake de inschrijving bij een beroepsvereniging en toezicht. 

Ik denk dat het zeker zal helpen, van letselschadespecialist een beschermd beroep maken. Wat ook helpt is als verzekeraars de zelfverklaarde specialisten niet meer klakkeloos hun zelfverklaarde uurtarieven gaat betalen. Zolang deze zogenaamde specialisten hun facturen kunnen indienen bij verzekeraars en deze de daarin opgenomen uurtarieven van soms meer dan € 300,- per uur blijven betalen is er geen enkele incentive voor de letselschadespecialist zich te onderwijzen, zich aan te sluiten bij een branchevereniging of zich onder toezicht te laten stellen. De eerste stappen zijn daarvoor overigens al gezet.  Recent kende de rechter aan een zelfverklaarde specialist een uurtarief voor zijn werk toe van € 80,- per uur en één verzekeraar, Unigarant, ging zelf zo ver dat ze de rechter vroeg om geen zaken meer te hoeven behandelen als een bepaald letselschadekantoor de belangenbehartiger is.

Zolang iedereen zich letselschadespecialist mag noemen doe je er dus verstandig aan bij letselschadezaken te kiezen voor een letselschadeadvocaat of een bureau dat een keurmerk heeft. Uiteraard heeft het ook zin de reviews van de in te schakelen specialist te controleren. Die van mij zie je HIER!

Lees meer

Gratis advies?
Sluiten

Gratis 10 minuten letselschade advies.