je

Geplaatst op: juli 16, 2024

Het EK voetbal is weer voorbij. Daar waar ik prachtige herinneringen heb aan het gouden EK van 1988, waar Marco Van Basten in de halve finale tegen Duitsland in bijna dezelfde minuut het lot van Duitsland bezegelde als Ollie Watkins dat nu met ons deed, zal dit EK niet lang in mijn geheugen gegrift blijven. Ik miste de bezieling, de vechtlust en de absolute wil om te winnen ten koste van alles bij dit Nederlandse elftal. Het moderne voetbal  – althans als we er van uitgaan dat de landen die in elk geval de halve finales haalden modern voetbal spelen- is verworden tot een combinatie van walking-footbal en schaken. ‘Not my cup of tea’. Ik kijk dan liever naar een mooie pot rugby.

Meer dan van de wedstrijden zelf geniet ik overigens van de interviews met de spelers en trainers na afloop van elke wedstrijd. Wat me daarin telkens weer opvalt is het gebruik van het woordje ‘je’. Let bijvoorbeeld maar eens op Ronald Koeman. Gevraagd naar een bepaalde situatie of beslissing heeft Koeman het steevast over ‘je’ als hij ‘ik’ bedoelt.

Als je De Dikke Van Dale er (digitaal) op naslaat staat er bij ‘je’:

1 je (persoonlijk voornaamwoord; 2e persoon enkelvoud). 2 je (bezittelijk voornaamwoord) 3 je (onbepaald voornaamwoord)

Dus Koeman gebruikt vaak het woord ‘je’ waar hij eigenlijk ‘ik’ bedoelt. ‘Ik’ is een persoonlijk voornaamwoord; 1e persoon enkelvoud. “Waarom zou hij dat doen?”, vraag ik me af. Waarom in de 2e persoon over jezelf spreken?  

Het lijkt erop dat hij op deze manier zichzelf wat uit de wind probeert te houden. Als je zegt, “je wilt altijd mooi en verzorgd voetbal laten zien” lijkt het alsof hij zegt dat een ander (2e persoon enkelvoud) altijd mooi en verzorgd wil spelen niet dat ‘ik’ (1e persoon enkelvoud) altijd verzorgd en mooi voetbal wil spelen. Alsof het niet over hem gaat maar om een ander of een instantie; de bondscoach en niet Ronald Koeman. Maar niet alleen Koeman maakt zich schuldig aan dit verschuilende taalgebruik. Ik veel meer interviews met spelers hoor ik ‘je‘  waar ‘ik’ wordt bedoeld. “Je weet dat ze hoog druk zetten”, antwoordde de speler op een vraag van de  interviewer. Deze speler bedoelde niet dat de interviewer dat weet, maar dat hij -de speler-  dat weet. Toch lijkt het niet om de speler in persoon te gaan te gaan maar om een ander. Ik blijf het vreemd vinden. Vooral omdat ik ‘je’ nooit hoor als een speler zelf iets goed heeft gedaan; “Ja, ik raakte hem precies goed!”, hoorde ik dezelfde speler zeggen nadat hij had gescoord.

Ik denk dat een voorzichtige conclusie moet zijn dat als iemand ‘je’ gebruikt in plaats van ‘ik’ diegene eigenlijk probeert zijn eigen rol kleiner te maken en zich achter een ander te verschuilen. De schuld buiten zichzelf te leggen. Natuurlijk wil Koeman altijd mooi en verzorgd voetbal spelen maar hij kan er niets aan doen als dat niet lukt, dan ligt dat aan de bondscoach, niet aan Koeman als persoon. Een pijnlijke ervaring kan klaarblijkelijk beter in de ‘je-vorm’ worden beschreven dan in de ‘ik-vorm’. Een positieve ervaring wordt dan weer gemakkelijker in de ‘ik-vorm’ geduid.

Met deze pseudowetenschappelijke verklaring in mijn achterhoofd zal ik eens wat meer gaan letten op het taalgebruik van mijn tegenpartijen. Een schuldenaar die zich verweert  in de ‘je-vorm’ zou zich wel eens schuldig kunnen maken aan wat ik in het vervolg een ‘verschuilend verweer’ ga noemen.

Lees meer

Fatbike

Geplaatst op: juli 5, 2024

Opa en Oma Venema woonden vroeger in Winschoten. Ze bestierden een pension aan de (toen) sjieke Paul Krügerstraat. Opa was een chagrijnige brompot die niets had met kinderen, laat staan kleinkinderen. De spaarzame tijd die hij voor mij vrij kon maken als ik er logeerde liepen we op mijn verzoek naar de winkel die motorfietsen verkocht op de hoek van de straat. Opa kende de eigenaar, de heer Smedes, van het koor en ik mocht in de winkel op de motoren zitten. De heer Smedes beloofde mij dat de zwarte Honda die in de etalage stond voor mij was gereserveerd.  Daarover dromend werd -terug in Hoogezand waar ik woonde- steevast mijn knaloranje Peugeot racefiets (met kilometerteller!) voorzien met een pottertjesdoosje op de voorvork met halve wasknijper die net de spaken raakte. Op die manier hoorde het al fietsend alsof je op een motor reed. Bij gebrek aan pottertjesdoosjes voldeed een stukje karton ook om een soortgelijk effect te bereiken.

Deze jeugdherinnering kwam bij mij op toen ik de recente artikelen las over de overlast gevende fatbikes. De motor-look-alikes met hun dikke lawaaiige banden, (vaak) bereden door nonchalant ogende pubers (meestal zijn het er twee per fatbike) die zonder enige inspanning -zoals het hun generatie betaamt- binnensteden onveilig maken. Ze halen met gemak snelheden van meer dan 30 kilometer per uur en de jonge berijders lappen alle verkeersregels aan hun sneakers. Hoogst irritant en levensgevaarlijk. Er gaan vele stemmen op om de overlast van deze fatbikes tegen te gaan. Je hoeft de sociale gremia er maar op na te slaan of je leest verhalen van slachtoffers die aangereden werden door pubers op fatbikes, fatbike-bestuurdertjes die zelf in de kreukels liggen of gemeentebestuurders die fatbikes willen verbieden.    

Het probleem van de fatbike kent volgens mij twee aspecten. Ten eerste de berijders en ten tweede de mogelijkheid ze zeer eenvoudig op te voeren. Om met dat laatste te beginnen. In het centrum van Emmen kijkt niemand er meer vreemd van op als je -gezeten op het terras van de Brasserie- fatbikes voorbij ziet razen die makkelijk 45 kilometer per uur gaan. Dit soort opgevoerde fatbikes zijn eigenlijk brommers en door ze op deze wijze te berijden zijn de bestuurders strafbaar. De bestuurders rijden onverzekerd rond want brommers zijn motorvoertuigen en motorvoertuigen moeten verplicht verzekerd zijn. Wordt iemand aangereden dan is de veroorzaker dus niet verzekerd, ook niet onder de aansprakelijkheidsverzekering van de ouders, en moet de letselschade van het slachtoffer uit eigen (lees papa’s of mama’s) zak betaald worden.

De puber hoeft op de fatbike niet te trappen omdat menig fatbike een gashendeltje heeft. Tegelijkertijd op je telefoon kijken is dan heel gemakkelijk. Daarnaast laat de kennis van de verkeerregels bij menig puber zeer te wensen over, zo ervaar ik regelmatig. Ze rijden op de fatbikes alsof ze in een Mario Kart-game figureren.

Ik snap het best. De fatbike is superstoer en voor een 12-jarige lijkt het op de brommer of motor die je later wilt hebben. Daarnaast zijn ze vaak ook nog goedkoper dan een solide saaie e-bike. Zeker, de aantrekkingskracht van de fatbike op de jeugd snap ik -gezien ook mijn inleiding- drommelsgoed. Maar toch zouden ze verboden moeten worden, de fatbikes. Of op zijn minst zou er een leeftijdsgrens voor bestuurders moeten komen en vanaf de fabriek een snelheidsbegrenzer die niet te omzeilen is.

Je zult je na deze moraliserende Vrijmiblo wellicht afvragen hoe het is afgelopen met mijn Honda die in Winschoten voor me klaarstond. Daarover kan ik kort zijn. Toen mijn neef Mark uit Veendam – net zou oud als ik- op een dag vlak na zijn 16e verjaardag trots zijn Zundapp kwam showen en ik een stukje mocht rijden vloog ik pardoes en hard door de heg van de buren. Dat was de eerste en enige keer dat ik op een brommer of motor heb gereden.  

Lees meer

ja heb je

Geplaatst op: juni 20, 2024

Als ik vroeger iets graag wilde maar het niet durfde te vragen zei mijn moeder altijd: “Vraag het nou gewoon; ‘Nee heb je, ja kun je krijgen’!”. Deze wijsheid leerde me om in sommige gevallen toch de stoute schoenen aan te trekken. Als je het niet vraagt heb je immers niets. Pas als je erom vraagt heb je een kans dat je wel iets krijgt. Deze levensles leverde me bijvoorbeeld mijn eerste vriendinnetje op maar ook voor de serieuzere vragen in het leven gold: ‘Nee heb je, ja kun je krijgen’.

Of de werkneemster met een tijdelijk contract in de rechtszaak waarover ik recent las ook zo’n levensles van haar moeder had meegekregen weet ik niet maar indachtig dat advies vroeg zij in een mailtje aan haar werkgever of deze genegen was haar een vast contract aan te bieden. Dat wilde zij graag hebben, aldus haar mail. De werkgever, te druk of wellicht niet gediend van dergelijke brutale vragen, reageerde niet op deze mail.

Toen het einde van het tijdelijke contract zich aandiende zegde de werkgever de werkneemster aan dat haar contract niet werd verlengd. Keurig op tijd en niets aan de hand zou je zeggen. Tegelijkertijd hoor ik je denken: “Dan was het ook geen rechtszaak geworden”!? Terecht gedacht.

Wat was het geval? In Nederland kennen we de Wet flexibel werken. Deze wet bepaalt onder anderen dat de werknemer kan de werkgever verzoeken om aanpassing voor al dan niet wisselende perioden en met al dan niet verschillende omvang van de uit zijn arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling voortvloeiende arbeidsduur, arbeidsplaats of werktijd. Deze wet bepaalt dus als je een flexibel contract hebt, bijvoorbeeld flexibele uren of verschillende dagen of standplaatsen, dat je een verzoek kunt richten tot je werkgever -nadat je een half jaar hebt gewerkt- om aanpassing van deze arbeidsomstandigheden. De bedoeling lijkt duidelijk. Als je weinig vastigheid in je werk hebt kun je de werkgever verzoeken daar verandering in te brengen. De werkgever moet daar schriftelijk op reageren en wel binnen een maand. Reageert de werkgever niet dat wordt het verzoek van de werknemer geacht te zijn goedgekeurd.

Lange tijd werd gedacht dat de verzoeken die de werknemer kan doen op grond van de Wet flexibel werken vooral gestoeld konden worden op de uren en de wijze waarop de werkzaamheden werden verricht. Dus een verzoek tot meer vaste uren in de week, meer duidelijkheid over de plaats waar de arbeid verricht diende te worden etc. Dat een verzoek ook een verzoek om een vast contract in plaats van een tijdelijk contract zou kunnen behelzen werd niet gedacht/geloofd. Volgens de Kantonrechter te Roermond is dat dus wel het geval, getuige deze uitspraak.

De werkneemster vroeg om een vast contract. Zij had al ‘ja’ en kon ‘nee’ krijgen. Als de werkgever (tijdig) had gereageerd was het ook ‘nee’ geworden. Omdat de werkgever dat niet had gedaan had de werkneemster een vaste baan! De vlag kon echter niet uit bij de werkneemster. De rechtszaak werd uiteraard pas gestart nadat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet had willen verlengen. De werkneemster dagvaardde de werkgever omdat haar tijdelijke contract niet werd verlengd. Dat deed zij echter niet binnen twee maanden na het niet rechtsgeldige einde van dat contract en dat was te laat. De arbeidsovereenkomst kon niet meer worden hersteld door de kantonrechter.  

Deze werkgever had dus geluk maar laat het een les zijn voor werkgever en werknemer. De werknemer heeft dus ‘ja’ en de werkgever moet tijdig ‘nee’ zeggen (lees schrijven!) ook bij een verzoek om een vast contract.

Lees meer

Fuck up

Geplaatst op: juni 7, 2024

Twee weken geleden werd ik door Durk Piet, je weet nog wel, van het filosofie café, uitgenodigd voor een “Fuck-Up Night”.  Ik had toen ik zijn appje las direct allerlei wilde gedachten maar desgevraagd bleek het te gaan om een bijeenkomst bij Growing Emmen waar ondernemers openhartig zouden doen van de fuck-ups in hun carrière. Mijn nieuwsgierigheid kreeg de overhand bij mijn overwegingen al dan niet in te gaan op zijn uitnodiging. Want zeg nou zelf, naar iemand zijn succesverhaal luisteren is toch veel minder leuk dan naar iemand luisteren waarbij iets vreselijk is mislukt. Dus met enige voorpret in de vorm van een verlangen naar leedvermaak heb ik zijn uitnodiging geaccepteerd en togen wij naar Growing Emmen waar al een podium klaar stond als ware het een soort moderne schandpaal, inclusief spotlight.

Het programma kende drie plaatselijke sprekers die alle drie iets vertelden over de mislukkingen gedurende hun loopbaan.  Drie verschillende sprekers met drie verschillende verhalen en soorten fuck-ups zorgden echter geenszins voor leedvermaak. Eerder voor bewondering voor hun lef en openheid omdat ze zich kwetsbaar durfden op te stellen en hun eerlijke verhalen zorgden uiteindelijk (althans bij mij) ook voor enige zelfreflectie.

Want “Wat is nou eigenlijk een fuck-up?” vroeg één spreker zich hardop af. Hij gaf zelf het antwoord op die vraag door te stellen dat het pas een fuck-up is als je iets verkloot maar er niets van leert. Verder filosoferend, ik was immers met Durk Piet, drong zich de vraag op of je sowieso niet af en toe een fuck-up moet hebben (ervaren) om te groeien en te leren. Als mens maar ook als ondernemer. Ik moest meteen denken aan één van de grootste sporters aller tijden; Michael Jordan. Deze basketballegende heeft meerdere quotes op zijn naam staan maar deze is echt passend:

 “I’ve missed more than 9000 shots in my career. I’ve lost almost 300 games. 26 times, I’ve been trusted to take the game winning shot and missed. I’ve failed over and over and over again in my life. And that is why I succeed.”

Reflecterend op de avond moet ik bekennen dat mijn loopbaan ook wel een aantal fuck-ups heeft gekend. De grootste maakte ik waarschijnlijk begin deze eeuw toen ik veel te dure aandelen in een letselschadekantoor kocht met veel te veel geleend geld, nog meer hoop op een goede afloop en in de naïeve veronderstelling dat het allemaal wel vanzelf mijn kant op zou komen. 10 Jaar later was ik een aantal illusies armer en allerminst rijker dan voorafgaand aan dat avontuur. Sterker; er resteerde een restschuld en het heeft daarna ook weer een tijd geduurd voordat ik die had ingelost. Ik heb er wel heel veel van geleerd.

Ik heb geleerd dat snel niet altijd goed en meer niet altijd beter is. Ik heb ook geleerd dat je niet blind moet vertrouwen op anderen. Maar de belangrijkste les was waarschijnlijk het zelfinzicht dat ik geen echte ondernemer ben. Natuurlijk vind ik het fijn eigen baas te zijn, een eigen bedrijf(je) te hebben en om zelf alle beslissingen te nemen maar dat is alleen maar fijn omdat ik op die manier mijn werk kan doen op de manier waarop ik vind dat ik het moet doen; op de inhoud en niet om de vorm.

Was het dan wel een echte fuck-up, dat aandelenavontuur? Als ik aan alle zorgen en de slapeloze nachten uit die periode terugdenk, moet het antwoord wel ‘ja’ zijn. Anderzijds heb ik er veel van geleerd en heb niet weer dezelfde fouten gemaakt. Zo bezien was het dus geen echte fuck-up. Al vrees ik dat ik bij een volgende Fuck-Up Night wel eens een avondvullend programma zou kunnen verzorgen.   

Lees meer

Kamers

Geplaatst op: mei 24, 2024

Afgelopen maand hebben Judith en ik onze dochter Lies (weer eens) verhuisd. Ze studeert in Groningen en heeft sinds kort haar vierde kamer betrokken. Ze woonde met een vriendin in een burgerbuurt in een nieuwbouwappartement maar miste daar het studentengevoel. Hoewel ze er qua vierkante meters op achteruit is gegaan, snap ik haar wel. In de buurt waar ze woonde waren die  zaterdagochtend – toen we als verhuizers arriveerden- al meerdere dames op leeftijd op de gezamenlijke parkeerplaats voor hun appartementen aan het ‘tuinieren’. Toen ik bij het achter uit inparkeren van de auto iets te dicht langs een boompje reed en per ongeluk een paardenbloem plette werd ik nog net niet gelyncht. Zo’n buurt dus. Het huidige huis, dat ze deelt met een handvol andere studenten, ademt studentenhuis. Gipsplaten kamertjes om elke ruimte optimaal te verzilveren, sluipdoor-kruipdoor trappen en overloopjes, een keuken uit het jaar ‘30 van de vorige eeuw en een hoop gezelligheid (zeg maar, lekkere rotzooi). Judith en ik wisselden tijdens het verhuizen een paar keer een blik van verstandhouding. We moesten beiden terugdenken aan onze eigen studententijd en -kamers.

Zelf ben ik ook vier keer verhuisd tijdens mijn studie in Groningen. Ik begon in mijn eerste jaar op een kamer aan de Folkingestraat. Die straat zag er toen overigens niet zo gelikt uit als tegenwoordig en ik zie mijn ouders – ouders verhuizen hun studerende kinderen immers, dat is van alle tijden- nog met een bezorgde blik om zich heen kijken de eerste keer dat ze mijn (nieuwe) kamer bezochten. Vrij naar het Klein Orkest zagen ze letterlijk:
  “mensen wandelen langs porno en peepshow. En de neonreclames, die glitterend lokken: Kom dansen! Kom eten! Kom zuipen! Kom gokken!”.
Daarna ben ik nog drie keer verkast, de laatste verhuizing in Groningen was naar de Gorechtkade waar Judith en ik samen een echte flat betrokken. Daar woonden we totdat werk ons naar Emmen bracht.

Toen ik weer met een armvol planken de zoveelste trap opliep om via een smal gangetje uit te komen bij de kamer van Lies moest ik denken aan de letselschade slachtoffers die ik de afgelopen 25 jaar heb bijgestaan en die niet meer in staat waren zonder aanpassingen in hun eigen woning te blijven wonen. Slachtoffers die na een ongeval niet meer in staat zijn trap te lopen en/of aan een rolstoel gebonden zijn en niet meer in de eigen keuken kunnen koken, drempels kunnen beslechten laat staan naar de slaapkamer op de eerste verdiepding kunnen, zijn in  mijn praktijk geen uitzondering. Omdat de aansprakelijke partij -lees de verzekeraar- het slachtoffer zo veel mogelijk in een situatie moet terugbrengen ‘als ware het ongeval niet was gebeurd’ betekent dat vaak dat op kosten van de verzekeraar de woning moet worden aangepast. Vroeger werd het slachtoffer vaak verwezen naar het WMO-loket van gemeente en werd door de  verzekeraar een zak met geld op tafel gelegd waarbij het slachtoffer het zelf maar moest regelen. Dat is gelukkig tegenwoordig niet meer zo. Steeds meer verzekeraars nemen het aanpassen van een woning heel serieus, schakelen zelf deskundigen in en financieren de aanpassingen ook zelf.  Dat is voor slachtoffers prettig en zorgt vaak ook voor een veel meer betrokken verzekeraar. Herstelgericht dienstverlening wordt dat genoemd. In meerdere van mijn zaken werd er op deze manier voor gezorgd dat slachtoffers die zich niet meer in hun eigen huis konden redden geholpen met alle noodzakelijke woningaanpassingen.  In veel gevallen was dat het verschil tussen een eigen toegankelijk huis of verhuizen naar een verpleegtehuis.

Toen ik vervolgens met deze gedachte in mijn achterhoofd weer een trap afdaalde om weer een verhuisdoos op te halen realiseerde ik me dat huisjesmelkers diametraal het tegenovergestelde doen. Hun drang naar zoveel mogelijk kamertjes op zoveel mogelijk verdiepingen maakt dit soort studentenhuizen  vooral heel ontoegankelijk.

Lees meer

Malafide

Geplaatst op: mei 10, 2024

Malafide

Meer malafide letselspecialisten, branche wil er beschermd beroep van maken”, kopte de NOS afgelopen maand in chocolade letters op haar nieuwssite. De NOS was niet de enige die dit nieuws bracht. Mijn internet bubbel explodeerde en allerlei instanties buitelden over elkaar heen om dit bericht te duiden en van een mening te voorzien. In deze Vrijmiblo daarom een toelichting op deze artikelen en wellicht wat nuttige achtergrondinformatie.

Vooropgesteld; het gaat niet over advocaten. Wellicht zijn er wel malafide letselschadeadvocaten – ik ken ze niet- maar dit gaat over  letselschadespecialisten. Althans, over personen die zich specialist noemen en daarmee suggereren dat ze speciale kennis hebben op het gebied van letselschade. Iedereen in Nederland mag zich letselschadespecialist noemen. Als je het leuk vindt om slachtoffers te helpen bij het verhalen van hun schade mag het en als je denkt daar makkelijk geld mee te kunnen verdienen mag het ook. Het probleem  is dat niemand deze zelfverklaarde specialisten in de gaten houdt, niemand controleert deze zelfverklaarde specialisten en verkeersslachtoffers hebben vaak geen idee of hun specialist het wel goed doet. Ander probleem; de specialist zorgt dat hij betaald wordt door de verzekeraar van de aansprakelijke partij. Je krijgt als slachtoffer  dus geen facturen van je specialist die je zelf moet betalen. Nog problematischer wordt het als deze specialist met jou een zogenaamde no cure no pay overeenkomst aangaat en een percentage van je schade vraagt voor zijn inzet en achter je rug om ook zijn facturen declareert bij de verzekeraar. Gebeurt dat echt, zie ik je denken? Getuige voormeld artikel gebeurt dat echt.

Waarom gaat het dan niet over advocaten? Omdat advocaten een beschermd beroep hebben. Niet iedereen mag zich advocaat noemen. Daarvoor moet je enerzijds een rechten opleiding hebben afgerond en anderzijds zijn beëdigd als advocaat.  Voordeel voor het slachtoffer is dat een advocaat onder toezicht staat. Ik schreef daar al eerder een vrijmiblo over. Als je denkt dat je advocaat het niet goed doet en hij of zij kan je daarin niet geruststellen kun je terecht bij de Orde van advocaten. Daarnaast houdt de Orde in de gaten of een advocaat die stelt dat hij zich ergens in gespecialiseerd heeft ook opleidingen volgt op het gebied van zijn specialisatie. Ook is een advocaat verplicht verzekerd tegen beroepsfouten.

Dus een advocaat kan wel een specialist zijn maar een specialist is niet automatisch een advocaat. Om die reden wordt door de branchevereniging van letselschade specialisten een lans gebroken om ‘letselschadespecialist” een beschermd beroep te maken. Dat betekent dat je je alleen maar letselschadespecialist mag noemen als je bijvoorbeeld hebt voldaan aan een aantal (opleidings)voorwaarden. In Nederland bestaat een lijst met ‘erkende” beroepen, afgeleid van een Europese richtlijn. Een beroep daarin opgenomen is beschermd beroep. Naast opleidingseisen zijn er ook vereisten ter zake de inschrijving bij een beroepsvereniging en toezicht. 

Ik denk dat het zeker zal helpen, van letselschadespecialist een beschermd beroep maken. Wat ook helpt is als verzekeraars de zelfverklaarde specialisten niet meer klakkeloos hun zelfverklaarde uurtarieven gaat betalen. Zolang deze zogenaamde specialisten hun facturen kunnen indienen bij verzekeraars en deze de daarin opgenomen uurtarieven van soms meer dan € 300,- per uur blijven betalen is er geen enkele incentive voor de letselschadespecialist zich te onderwijzen, zich aan te sluiten bij een branchevereniging of zich onder toezicht te laten stellen. De eerste stappen zijn daarvoor overigens al gezet.  Recent kende de rechter aan een zelfverklaarde specialist een uurtarief voor zijn werk toe van € 80,- per uur en één verzekeraar, Unigarant, ging zelf zo ver dat ze de rechter vroeg om geen zaken meer te hoeven behandelen als een bepaald letselschadekantoor de belangenbehartiger is.

Zolang iedereen zich letselschadespecialist mag noemen doe je er dus verstandig aan bij letselschadezaken te kiezen voor een letselschadeadvocaat of een bureau dat een keurmerk heeft. Uiteraard heeft het ook zin de reviews van de in te schakelen specialist te controleren. Die van mij zie je HIER!

Lees meer

Huwelijkse staat

Geplaatst op: april 26, 2024

We zitten in Málaga deze week. We zijn Judith, onze twee kinderen, hun verkering en ik. Judith en ik zijn eind deze maand vijfentwintig jaar getrouwd. Het leek ons leuk dat te vieren met z’n zessen. Het is ook echt leuk, bedenk ik oprecht terwijl ik deze Vrijmiblo schrijf. Ik zit aan de rand van het zwembadje bij ons huisje. Gehuurd via Airbnb en op vijftig meter van het strand. Niet in Málaga zelf overigens, in Rincón de la Victoria. Een pittoresk buitendorpje grenzend aan Málaga. Het seizoen is nog niet begonnen dus veel is nog niet open en nog meer wordt klaargemaakt voor de zomer. Likje verf, nieuwe strandstoelen worden geplaatst, rieten parasols vervangen en onkruid wordt gewied. Kortom; een beetje stilte voor de storm. Niet dat het hier stormt, allesbehalve. De lucht is strakblauw, de wind haalt zijn eerste kracht niet eens en het is rond de drieëntwintig graden. 

Vanochtend hebben we met z’n allen een bijzondere wandeling gemaakt. El Caminito Del Rey. Zoek maar eens op. Dit “Kleine pad – dat betekent Caminito – van de Koning” – dat betekent del Rey – is een adembenemende wandeling door een kloof boven een kolkende rivier. Getooid met de verplichte helm loop je via houten wandelpaden bevestigd aan de loodsteile hellingen op een hoogte van ongeveer honderd meter boven de rivier. 

En terwijl het water onder me raasde en de gieren boven mijn hoofd rondcirkelden – echt waar – had ik even tijd om de afgelopen vijfentwintig jaar de revue te laten passeren.

Omdat ons huwelijk in 1999, mijn beëdiging als advocaat en onze verhuizing naar Emmen eind 1998 zo’n beetje parallel lopen is een gedachte aan vijfentwintig jaar huwelijk ook een gedachte aan vijfentwintig jaar advocaat en vijfentwintig jaar Emmen. In mijn beide carrières – als levenspartner en als advocaat – zijn er uiteraard veel dingen voorgevallen. Wel moet gezegd worden dat ik het als levenspartner veel beter heb gedaan en veel meer geluk heb beleefd dan als advocaat-partner. Daar waar in ons huwelijk het woord scheiding wellicht wel eens werd gebruikt in de tijd dat ik nog haar had was ik als advocaat meer als Tom Cruise; al mijn relaties liepen stuk. Niet dat het allemaal vechtscheidingen waren, dat zou ik niet willen zeggen maar als advocaat blijk ik beter tot mijn recht te komen als vrijgezel. 

Ik schreef het al eerder maar als advocaat-partner – dus met mede-eigenaren – was ik nooit echt gelukkig. Ik vond het zijn van directeur niet leuk, met name door alle financiële druk. En het verantwoordelijk zijn voor het wel en wee van meerdere gezinnen die afhankelijk waren van de resultaten en dus beslissingen van mij en mijn mede-eigenaren heb ik altijd als last ervaren. Niet de collega advocaten en assistenten als persoon, juist niet. Maar een kantoor met meerdere personeelsleden betekent gewoon meer druk om het voor iedereen goed te doen, om voldoende geld te verdienen en meer druk om iedereen tevreden houden. Het is aanmerkelijk eenvoudiger om één persoon tevreden te houden. 

En daar zit wellicht weer een parallel tussen mijn advocatencarrière en mijn huwelijkse staat. In beide ben ik met zijn tweeën en in beide ben ik superblij met mijn partner. 

Lees meer

AI!?

Geplaatst op: april 12, 2024

Een tijdje geleden werd ik gebeld door Durk Piet. Durk Piet is een hele goede vriend van mij. We kennen elkaar van de studenten volleybalvereniging Donitas in Groningen waar we elkaar begin jaren negentig hebben leren kennen. Durk Piet werd verliefd op Anouk, een speelster uit het team dat ik coachte en een goede vriendin van mij. Omdat ik nogal zuinig op mijn pupillen was, moest Durk Piet uiteraard eerst geballoteerd worden. Die ballotage passeerde hij overigens met glans, trouwde uiteindelijk zelfs met Anouk en kwamen net als ik vanuit Groningen in Emmen terecht. 

Durk Piet heeft, naast zijn werk als zelfstandig organisatieadviseur, een passie voor filosofie. Een denker dus. Wellicht om die reden heeft hij zich als vrijwilliger aangesloten bij  het Filosofiecafé Emmen. Iedere laatste woensdag van de maand wordt een avond georganiseerd waarin een gast (meestal ook denkers en soms zelf een Denker des Vaderlands) de cafégasten trakteert op uiteenzettingen die je aan het denken moet zetten. Meestal is de locatie theaterschool Loods13 in de oude dierentuin (tegenwoordig het Rensenpark geheten). Maar deze keer -daarom belde Durk Piet- hadden ze niemand minder dan de beroemde filosoof Bas Haring weten te strikken. Omdat Filosofiecafé Emmen eens in de zoveel tijd wil uitpakken en Haring een publiekstrekker is werd uitgeweken naar de Grote Kerk in Emmen. “Bas Haring gaat vertellen over AI”, zo vertelde Durk Piet enthousiast. Daar moest ik zeker bij zijn, verzekerde hij mij. Alleen al vanwege zijn enthousiasme kocht ik kaartjes.

Zelf maak ik geen bewust gebruik van AI maar in de wereld om mij heen, ook in de juridische dienstverlening, is het gebruik van AI uiteraard niet meer weg te denken. Ik dacht bij mezelf, als ik een Vrijmiblo ga wijden aan de lezing van Bas Haring dan kan ik wellicht op voorhand Chat GPT vragen om een blog te schrijven over de lezing van Bas Haring. Ik gaf Chat GPT de volgende opdracht: “schrijf een blog van 500 woorden over de lezing van Bas Haring over AI die grappig is met een serieuze ondertoon”. Binnen luttele seconden werd mijn Vrijmiblo voor mij geschreven met als titel: “De AI-lezing van Bas Haring: Een Komische Reis door de Toekomst met Een Serieuze Twist.

 De eerlijkheid gebied te zeggen dat als ik die blog vandaag had gepost niemand het idee zou hebben opgevat dat het niet door mij (of een mens) maar door een robot was geschreven al voordat de lezing had plaatsgevonden. Uiteraard ontbeerde het mijn onnavolgbare gevoel voor humor maar als ik uit de blog bijvoorbeeld citeer:

Een hoogtepunt van de avond was toen Bas de ethische dilemma’s rond AI behandelde. Hij stelde de vraag: “Wat gebeurt er als AI besluit om zichzelf te verbeteren en ons allemaal te vervangen?” Dit leidde tot een golf van nervositeit in de zaal, die Bas echter snel wist te verzachten met een grap: “Ik heb een plan B voor het geval de robots komen – ik ben begonnen met het oefenen van mijn dansmoves zodat ik indruk op ze kan maken.”

dan zou je denk ik best geloven dat de door mij geciteerde uitspraken van Bas Haring ook daadwerkelijk door hem zijn gedaan. Dus de chatrobot completeerde de blog met letterlijke uitspraken van de  spreker. Kijk daar heb ik wat aan dacht ik want als ik AI in mijn praktijk wil gebruiken denk ik toch vooral aan uitspraken van rechters. Dus als AI mijn rechtsvragen kan beantwoorden met citaten uit daadwerkelijk rechterlijke uitspraken wordt mijn werk er wel wat eenvoudiger op.

Omdat ik toch niet helemaal vertrouwde probeerde ik de citaten van Haring op te zoeken. Ik dacht, Chat GPT heeft vast uit de onmetelijke bibliotheek die internet heet passende citaten van Bas Haring gebruikt voor de blog. Ik kon ze echter niet -via Google- vinden. Daarom vroeg ik Chat GPT waar hij/zijn/hen de citaten vandaan had gehaald. Het antwoord was even verbijsterend als beangstigend:

 “De citaten van Bas Haring in deze blog zijn fictief en worden gebruikt om de stijl en toon van zijn toespraak te illustreren. Hoewel ze niet rechtstreeks uit zijn werkelijke lezing afkomstig zijn, zijn ze gebaseerd op het algemene karakter en de humoristische benadering die Haring vaak laat zien in zijn publieke optredens en geschriften.”

Ik hoorde mezelf al pleiten:

“Edelachtbare, de citaten uit de uitspraken die ik noemde in mijn pleidooi zijn fictief en worden enkel gebruikt om mijn gelijk te illustreren. Hoewel ze niet rechtstreeks uit daadwerkelijke uitspraken afkomstig zijn, zijn ze gebaseerd op het algemene idee dat ik mijn zaken graag winnend afsluit.”

Lees meer

Casual

Geplaatst op: maart 29, 2024

Zo, jij ziet er casual uit vandaag”, hoorde ik toen ik voor de lunch mijn kantoor uit liep. Het was de stem van Bert Heida, mijn oud collega van de Pals Groep die nu resideert op de verdieping onder mij. Bert, zelf altijd zeer gesoigneerd (zijn grijze haar strak achterover, getrimd baartje, kek colbertje en altijd mooie geklede schoenen), keek me aan met een blik die enerzijds verraadde dat hij zelf zo echt niet naar kantoor zou komen doch anderzijds ook met een blik die verraadde dat hij dat eigenlijk stiekem best wel wilde. Maar hij had gelijk. Ik had die dag geen afspraken en had dezelfde outfit aan die ik de avond ervoor aan had tijdens een etentje met ons gezin. Spijkerbroek, T-shirt met daarover een houthakkersblouse. 

Toen ik naar huis fietste – ik woon vlak bij kantoor en eet tussen de middag thuis een broodje – realiseerde ik me dat er wat kleding betreft wel heel veel veranderd is in de 25 jaar dat ik als advocaat werkzaam ben. In de eerste jaren van mijn beëdigd bestaan ging ik steevast in pak naar kantoor. Een stropdas en Italiaanse merkschoenen completeerden mijn outfit. “De klant wil graag zien dat jij succesvol bent omdat hij wil dat jij voor hem succesvol bent” zo pleegde mijn patroon (de oudere advocaat die drie jaar de baas over je speelt) te zeggen. Het was overigens wel makkelijk. Een pak met een witte blouse, daar hoef je ‘s ochtends niet over na te denken. Welke kleur stropdas gaf wellicht stof tot nadenken en de vraag of de riem wel bij de schoenen paste leidde ook wel eens tot hoofdbrekens maar overall was het simpel. Met een goed pak zat je gebeiteld.

Op kantoor probeerden we wel eens een casual vrijdag maar dat was geen succes. Advocaten die één dag per maand iets casuals aantrekken (oude mannen spijkerbroek met gympies en een gestreepte rugbytrui/polo) zien er niet alleen verloren maar vooral niet casual uit. Eerder doodongelukkig. 

Wanneer is dat -op mijn kantoor- eigenlijk veranderd? Al ver voor Corona droeg niemand van mijn mannelijke collega’s nog een stropdas. Wellicht aangespoord door wijlen Prins Claus die tijdens een toespraak in 1998 – in mijn beleving zijn grootste prestatie als Prins Gemaal – zijn stropdas verknipte. Al ver voor corona werd het pak ingeruild voor een broek met colbertje maar wanneer werd het normaal om gewoon in spijkerbroek en polo naar kantoor te komen. Ik weet het eerlijk gezegd niet meer. Wat ik wel weet is dat de Coronaperiode een grote katalysator is geweest voor de casualisering van het kantoortenue. 

Ik vind het zelf overigens ook best lastig. Je wilt als dienstverlener (dat ben ik overdag immers, ik verleen diensten) voldoen aan de verwachtingen van degene die om je dienst vragen. Die verwachting gaat niet alleen om de inhoud is mijn overtuiging, ook over de verpakking. Daarom heb ik nog steeds pakken aan – wel wat hippere ondanks mijn leeftijd – maar niet altijd meer Italiaanse schoenen. Vaak sneakers maar nooit meer een stropdas. Maar dus steeds vaker gewoon een spijkerbroek met een polootje.

Ik las overigens dat één van de betekenissen van casual “ gewoontjes” is.
Als ik met mijn kleding uitstraal dat ik gewoon mezelf ben dan, beschouw ik de opmerking van Bert dus maar als een verkapt compliment.

Lees meer

Een Kwokje

Geplaatst op: maart 15, 2024

Je leest het goed, ‘een Kwokje’. Het is geen schrijffout maar zo noem ik de cartoons van Evert Kwok.  Evert Kwok is het gezamenlijk pseudoniem van Eelke de Blouw en Tjarko Evenboer, cartoonisten en grappenmakers. Ze maken tekeningen/stripjes van hele flauwe woordgrappen. Echt te flauw voor woorden en zo droog dat ze door Jochem Meijer “de Messi van de  woordgrap” worden genoemd. 

Mijn vader is in dat licht dan wel niet de Messi van de  woordgrap maar als er in mijn omgeving iemand is die van flauwe woordgrappen houdt en ze te pas en te onpas maakt, dan is het wel mijn vader. Ik stuur mijn vader dan ook met grote regelmaat een ‘Kwokje’ via de app. Gewoon voor de lol. Om even een contactmomentje te hebben en om hem (hoop ik) even te laten grijnzen. Ik maak dan snel even een screenshot van de tekening die ik online tegenkom en stuur hem die dan.

Uiteraard heb ik mijn vader al direct verteld wie deze tekeningetjes maakt en uiteraard hoef ik niet elke keer als ik mijn vader een foto  stuur van een ‘Kwokje’ de naam van Evert Kwok eronder te zetten. Dat is anders als ik bijvoorbeeld een ‘Kwokje’ wil plaatsen onder of in deze Vrijmiblo. De Vrijmiblo op mijn site is een publieke uiting. Als ik daar een plaatje van het internet op wil zetten mag dat niet zonder toestemming van de eigenaar/maker/gerechtigde van dat plaatje. Op zijn minst moet ik de naam van de maker onder het plaatje zetten zodat iedereen weet dat ik dat plaatje niet zelf heb gemaakt. Dat lijkt logisch maar in de  praktijk gaat het heel vaak fout.

Enige tijd geleden belde een klant die een nieuwe website had gemaakt. Om de site wat meer inhoud te geven had hij van het internet fotootjes geplukt van producten die hij ook leverde. Hij dacht, ”als de fotootjes op het internet staan kan ik ze toch ook gewoon gebruiken”. Hij stond er niet bij stil dat op alle foto’s een auteursrecht rust.  Ook op een foto van bijvoorbeeld een schroevendraaier of een wc-borstel. Ook al is een plaatje zo te downloaden en te gebruiken, zonder toestemming van de eigenaar mag het niet. De klant in kwestie had al een brief van een advocaat in de bus die een schadevergoeding eiste vlak nadat zijn site live was gegaan. Die vergoeding is vaak vrij fors (een paar honderd euro voor een fotootje is geen uitzondering) en normaliter wordt een dergelijk bedrag ook toegewezen door de rechter. Het devies is dan ook vaak, trek het boetekleed aan, maak het bedrag over en let voortaan goed op. Je wilt echt niet procederen over inbreuken op het auteursrecht, vooral omdat de kans groot is dat je ook wordt veroordeeld in de daadwerkelijke advocaatkosten. Dus niet een gefixeerd bedrag (het liquidatietarief) zoals bij een proceskostenveroordeling in een normale civiele zaak, maar de daadwerkelijk advocaatkosten van de  tegenpartij. Mijn klant koos eieren voor zijn geld, betaalde, verwijderde de foto’s en had zijn lesje geleerd.  

Eerder bleek een gebruiker van een tekening van Evert Kwok hardleerser. Deze meneer plaatste zonder bronvermelding op zijn facebookpagina een ‘Kwokje’. Evert Kwok vroeg degene die dat deed om op zijn minst even zijn naam erbij te zetten. De gebruiker van de pagina weigerde, het plaatje stond immers al op internet en kon dus gewoon gebruikt worden aldus de Facebooker. De discussie escaleerde en het kwam zelfs tot een rechtszaak waarin de inbreuk makende Facebooker veroordeeld werd tot betaling van een schadevergoeding van € 480,- en de proceskosten. 

Het leverde Evert Kwok nationale bekendheid op omdat meerdere nieuwssites het verhaal publiceerden. Evert Kwok maakte er natuurlijk een passend ‘Kwokje’ van die ik uiteraard weer aan mijn vader stuurde.

Lees meer

Gratis advies?
Sluiten

Gratis 10 minuten letselschade advies.