Kennelijke schrijffout
Geplaatst op: december 3, 2021
In mijn blog “SM-Club” stond een storende fout. Ik werd daar door een oplettende volger op geattendeerd. Een volger die zich in zijn dagelijkse leven bezighoudt met compliance dus dat uitgerekend hij mij daarover berichtte was niet vreemd.
Voor degene die het niet gelezen/ontdekt had. Ik schreef dat na het arrest van de Hoge Raad de koper de DS weer terug diende te nemen en het geld terug diende te betalen. Dat moest – gezien het verhaal en de onderbouwing van dat verhaal- uiteraard de verkoper zijn. Een tekstuele struikeling.
De koper in voormeld verhaal had mijn blog niet nodig om zijn geld terug te krijgen. Hoe anders was het geweest als ik in voormeld verhaal niet de blogger maar de rechter was geweest en ik had dezelfde fout gemaakt. Stel je voor dat ik het vonnis had geschreven en dat ik daarin had geschreven dat de koper werd veroordeeld tot betaling van de koopsom aan de verkoper. De koper had dan een mooi en goed gemotiveerd vonnis gehad met erboven “In naam der Koning” (toen nog Koningin) maar had met dat vonnis de verkoper niet kunnen aanspreken. In het belangrijkste gedeelte van het vonnis, het dictum (de veroordeling), stond dan immers dat de koper moest betalen.
Het lijkt wellicht een fictief probleem maar geloof me, dat is het niet. Waar gewerkt wordt worden fouten gemaakt, ook in de rechtsspraak. Een foutje in een vonnis zoals het omkeren van koper en verkoper heet een ‘kennelijke schrijffout’. Kennelijke schrijffouten gebeuren en kunnen vrij eenvoudig worden hersteld. Er is zelf een apart artikel in de wet dat daarover gaat. Artikel 31 rechtsvordering. Het eerste lid van dat artikel luidt:
De rechter verbetert te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent.
In mijn verhaal is het duidelijk. Daar waar ik koper schreef moest staan verkoper. De koper kan met een kort briefje de rechtbank vragen om een verbeterd vonnis.
Als je op rechtspraak.nl de woorden ‘kennelijke schrijffout’ intypt krijg je 25.583 zoekresultaten. Worden er dan zoveel kennelijke schrijffouten gemaakt in vonnissen? Ja, maar soms wordt ook geprobeerd een wellicht niet zo kennelijke fout en/of een onwelgevallige beslissing aan te laten passen met een beroep op artikel 31 Rv.
Dat levert soms vreemde uitspraken op. Bijvoorbeeld in een echtscheidingszaak waarin de man had gevorderd de afgifte van de fotoboeken door zijn vrouw zodat hij kopieën kon maken. De rechtbank was het met de man eens en oordeelde:
De vrouw dient binnen twee weken na heden alle fotoboeken die betrekking hebben op gezamenlijke vakanties aan de man af te geven, zodat hij daarvan kopieën kan maken.
De vrouw gaf vervolgens de vakantiealbums af maar de man wilde alle albums en stelde dat er sprake was van een kennelijke schrijffout in het vonnis. Het was volgens de man voor iedereen duidelijk dat hij alle fotoboeken wilde. De rechtbank wees dat af en oordeelde:
In de processtukken heeft de man niet duidelijk gespecificeerd op welke albums het verzoek betrekking had. Op de zitting is een verband gelegd met vakanties, waaruit de rechtbank heeft afgeleid dat de gevraagde albums vakantiealbums waren. Ook als dat een onjuiste conclusie was, is het niet een kennelijke fout, omdat in elk geval voor de rechtbank niet direct duidelijk was dat dit op een vergissing berustte.
De man diende dus – als hij toch alle albums wilde ontvangen- hoger beroep aan te tekenen van het vonnis en het Hof zou dan de hele zaak opnieuw moeten beoordelen. Zo eindigde een kennelijk mislukt huwelijk niet via een kennelijke schrijffout tot een kennelijk door de man gewenst resultaat.
SM Club
Geplaatst op: november 26, 2021
Naast mijn dagelijkse beslommeringen als advocaat ben ik – zoals vele Nederlanders- ook lid van een club. Als je immers een passie hebt ontdekt is het leuk, leerzaam en ontspannend om je aan te sluiten bij een club van gelijkgezinden. Omdat mijn vrijmiblo’s niet altijd over mijn werk hoeven te gaan en lezers wellicht wel wat meer willen weten over de mens achter de advocaat lijkt het me leuk iets meer te vertellen over mijn lidmaatschap van mijn club. De SM club.
Degene die aan de hand van vorige alinea eigenlijk al niet verder durfden te lezen of alleen al door de titel van deze blog al wat van slag raakten; het betreft de Citroën SM club. Dus geen club van in het leer getooide dominante en/of gedomineerde gelijkgezinden maar een club voor de liefhebbers (en meestal bezitters) van een Citroen SM, ook wel de “Johan Cruijff- auto” genoemd.
De eerste auto die ik kocht was van een collega van Univé Verzekeringen – waar mijn werkzame leven begon- en was een Citroën CX. Ik woonde in Groningen en het werk was in Assen. In vond toen (in 1995) dat ik echt een auto nodig had. Ik werd op slag verliefd op de rode Citroën CX 2400 GTI uit 1985 die volgens de verkoper weg moest wegens overcompleet. Ik heb eigenlijk altijd CX’en gehad maar een aantal jaren geleden heb ik de stoute schoenen aangetrokken en (ook) een Citroën SM gekocht. Eén uit 1972, met een 2,7 V6 Maserati injectiemotor.
Het mooiste van Citroëns, wellicht alle Franse auto’s, is dat je altijd weer blij bent als alles het doet. Je verwacht bij de aanschaf eigenlijk al dat de kans groot is dat niet alles werkt. Als liefhebber van oude Citroëns moet je dus eigenlijk goed kunnen omdenken. Toch was het een oude Citroën die een grote rol speelde in de jurisprudentie over non-conformiteit bij oude auto’s. Non-conformiteit betekent zoveel als het niet voldoen aan de verwachtingen die iemand mag hebben. Koop je een oude Citroën en zij (oude Citroëns zijn vaak een zij) doet het niet kun je eigenlijk niet zeggen dat je mocht verwachten dat zij het wel goed zou doen.
Dat vond ook de verkoper van een oude Citroën DS. Na de aanschaf van deze DS bleek dat ze totaal verroeste kokerbalken had, een gevaar op de weg was en niet meer door de APK kwam. De koper was niet alleen liefhebber van oude Citroëns, hij was in het dagelijkse leven ook advocaat. Hij stelde de verkoper aansprakelijk en wilde van de koop af. De verkoper weigerde. Hij meende dat de koper kon verwachten dat de oude Citroën roestig was. Voor de liefhebbers; het betrof een Citroën DS Break uit 1966 en dit speelde in 1987. De koper had dus niet mogen verwachten dat een 20 jaar oude citroen DS Break roestvrij was. Zowel de rechter als het hof waren het met de verkoper eens. Anders dan de koper meenden rechtbank en hof dat de auto voldeed aan de redelijke verwachtingen die de koper mocht hebben. Roest hoorde daarbij.
De koper liet het er niet bij zitten en legde zijn zaak voor aan de Hoge Raad. Die deed in 1994 uitspraak, na 6 jaar procederen. De Hoge Raad kwam de koper tegemoet in het arrest dat bekend werd als het oldtimer-arrest, zie http://arresten.eu/verbintenissenrecht/hr-15-04-1994-nj-1995-614-schirmeisterde-heus-oldtimer-arrest/. De Hoge Raad oordeelde dat een auto non-conform is, dus niet aan de verwachtingen voldoet, als het (kort gezegd) wordt gekocht om aan het verkeer deel te nemen en dat door gebreken niet veilig kan. De roestige kokerbalken (ook al waren die bij koper en verkoper niet bekend) zouden bij verkeersdeelname een gevaar voor de verkeersveiligheid opleveren en konden niet eenvoudig worden hersteld. Dat had de koper niet hoeven te verwachten, ook niet van een 20 jaar oude Citroën DS. De koper moest de DS terugnemen en terugbetalen. Met dat arrest in mijn achterhoofd ben ik ook lid geworden van de SM- Club en heb ik mijn Citroën SM eerst onderworpen aan de keurende blikken van de leden van die club. Op die manier wist ik dat mijn SM conform was al ben ik elke keer toch weer blij als zij het doet.
Tucht
Geplaatst op: november 12, 2021
Advocaten hebben met slagers gemeen dat ze beiden hun eigen vlees keuren. In de advocatuur gebeurt dat door de plaatselijke ‘dekens’. In ieder arrondissement is er een plaatselijke orde van advocaten en aan het hoofd daarvan staat een deken. Die deken is belast met het toezicht op de advocaten in zijn arrondissement. Advocaten moeten zich aan de regels houden en doen ze dat niet kunnen ze onderwerp worden van een tuchtzaak.
Zo’n tuchtzaak kan worden aangespannen door een ontevreden klant maar ook door de deken zelf. Het toezicht op de advocatuur is mediagevoelig. Berichtgeving over het kantoor van de landsadvocaat waar miljoenenfraude werd gepleegd zal waarschijnlijk niemand zijn ontgaan. Recent las ik over de arrestatie van een advocaat die de neef van ’s lands bekendste crimineel is en zich volgens justitie liet gebruiken door die neef om berichten uit de zwaar beveiligde gevangenis te smokkelen.
Het hebben van eigen tuchtrecht is een groot goed. Dat advocaten zich aan alle voor hen geldende regels en wetten moeten houden en dat daarop wordt toegezien onderscheid de beroepsgroep van andere juridische dienstverleners. Het is in mijn optiek dan ook terecht dat dat tuchtrecht onderwerp van aandacht is binnen onze beroepsgroep.
Dat toezicht is recent weer onderwerp van publicaties en moet weer op de schop, als het aan minister Dekker ligt. Zie: https://www.advocatie.nl/nieuws/minister-dekker-een-toezichthouder-voor-toezicht-op-alle-advocaten/
Niemand vindt het leuk als er over hem of haar wordt geklaagd. Een formele klacht bij de deken is voor advocaten vaak een hele vervelende aangelegenheid. Dat heeft enerzijds te maken met de maatregelen die de deken kan opleggen doch anderzijds ook de tijd en verloren uren die een tuchtklacht kosten. Maak je het te bont kun je net als Bram Moskowicz van je beroepstroon gestoten worden en geschrapt worden van het tableau (de lijst waarop je naam komt te staan als je wordt beëdigd als advocaat). Je mag dan je beroep niet meer uitoefenen. De zwaarste straf. Maar ook minder verstrekkende klachten en straffen zijn vervelend en niet goed voor je imago als advocaat.
In de jaren dat ik advocaat ben heb ik 2 keer een klacht tegen mij ingediend gezien. 1 keer was het een vergissing, niet ik maar een kantoorgenoot was degene die de zaak had gedaan. De andere keer betrof het een zeer zware beschuldiging aan mijn adres.
Een klant die ik in het kader van een letselschadezaak bijstond betichtte mij ervan dat ik mijn broer, werkzaam in het ziekenhuis, de opdracht had gegeven medische stukken – die zijn letsel zouden aantonen- te laten verdwijnen. De klacht was als handgeschreven brief naar de deken gestuurd en via de deken door mij ontvangen. Ik werd door de deken op zijn kantoor uitgenodigd om mijn kant van het verhaal te vertellen. Tijdens die zitting vertelde ik dat ik helemaal geen broer heb en dus ook geen broer in het betreffende ziekenhuis die ik opdracht zou kunnen geven een dossier te laten verdwijnen. De klager was echter niet te overtuigen. De betreffende arts heette immers ook Venema en ik had hem de opdracht gegeven, aldus de klager.
Gelukkig was de deken ervan overtuigd dat ik echt geen broer heb – wel een lieve zus overigens, maar die werkt niet in een ziekenhuis- en oordeelde hij de klacht uiteraard ongegrond.
Deze onterechte klacht kostte mij veel tijd en negatieve energie. Toch hoort het erbij en meen ik dat aandacht voor de eigen controle op de advocatuur- zoals nu weer aan de orde- goed is. Als je je eigen vlees wilt blijven keuren moet iedereen ervan overtuigd zijn dat de keurmeester geen vooringenomen broer van de slager is.
Zelfreflectie
Geplaatst op: oktober 29, 2021
In het arbeidsrecht zal een werkgever, als hij de arbeidsovereenkomst met een werknemer wil ontbinden van goeden huize moeten komen. In elk geval administratief. Ik bedoel; voordat je een ‘dossier ’ hebt opgebouwd moet je als werkgever echt behoorlijk wat werk verzetten.
Regelmatig word ik gebeld door werkgevers die een conflict hebben met een werknemer en mij vragen een ontslagprocedure op te starten. Stuur me eerst maar het volledige dossier toe dat je hebt, zeg ik dan. Heel vaak krijg ik dan de arbeidsovereenkomst, een sporadisch functioneringsgesprek en wat losse appberichtjes toegestuurd. Alles was mondeling gegaan, de werknemer was keer op keer gewaarschuwd en wist drommels goed waar het over ging, is dan vaak het antwoord als ik vraag waar de rest van het dossier is.
Zelf ben ik als ondernemer en werkgever -ik zeg het eerlijk- niet consciëntieus bezig met gespreksverslagen, vastleggen van afspraken, het voeren van functioneringsgesprekken etc. Niet goed, maar ja, bij de schilder moet het ook altijd geschilderd worden.
Jaren geleden deed ik een ontslagzaak waarin de werkgever wel degelijk aan dossieropbouw had gedaan. De werkgever had gesprekken gevoerd, derden ingeschakeld en er alles aan gedaan om het functioneren van de werknemer te verbeteren. Ondanks alle pogingen daartoe was het niet gelukt. Het hele traject eindigde uiteindelijk in een arbeidsconflict en kwam voor de kantonrechter.
De kantonrechter hield tijdens de zitting de werknemer een passage uit een rapport van een outplacementbureau voor. “Ik lees in dit rapport dat bij u iedere vorm van zelfreflectie ontbreekt, reageert u daar eens op?” Waarop de werknemer geïrriteerd antwoordde: “Daar herken ik mijzelf helemaal niet in”, hetgeen een kleine glimlach op het gezicht van de kantonrechter opleverde. Hoe deze zaak afliep laat zich raden maar daar wilde ik het eigenlijk helemaal niet over hebben.
Voormelde anekdote vertelde ik aan een goede vriend. Hij vond het een mooi verhaal, moest er hard om lachen maar zijn Socratische levensopvatting (als ik dat al zo kan stellen) noopte hem om mij toch een aantal kritische vragen te stellen over zelfreflectie. Deed ik zelf wel aan zelfreflectie? Hoe was het überhaupt gesteld met zelfreflectie in de advocatuur? En mijn klanten, waren die wel zelf-reflectief?
Soms vertel je de verkeerde mensen over je werk, was mijn eerste gedachte.
Maar zoals het een kundig Socratisch vragensteller betaamt zette hij me wel aan het denken. Eigenlijk was ik in mijn werk helemaal niet zo zelf-reflectief. Ik ben partijdig, meen oprecht dat mijn klant altijd gelijk heeft, vind de stellingen de wederpartij altijd onzinnig en vind het soms best lastig te vertellen aan mijn klant dat hij wellicht een zwakke zaak heeft. Kortom, mijn zelfreflectie zou best wel eens een dode hoek kunnen hebben.
Ik moest vervolgens denken aan regel 5 van onze tuchtregels: “De advocaat dient voor ogen te houden dat een regeling in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces.”
Deze regel is niet opgesteld omdat advocaten niet kunnen of willen procederen, neen, deze regel is bedoeld om er voor te zorgen dat advocaten doen aan zelfreflectie, op zichzelf en hun zaak. Ik houd mij voor dat in praktijk ook steeds meer en beter te doen.
Soms is dus juist goed de “verkeerde” mensen over mijn werk te vertellen realiseerde ik me. Althans, als je het niet erg vindt om af en toe in de spiegel te kijken.
Telefoon uit!
Geplaatst op: oktober 15, 2021
Net als bij familie kun je als advocaat je klant niet altijd zelf uitkiezen.
Zo stond ik- begin deze eeuw- op verzoek van ‘s lands grootse letselschadebureau een meneer bij tijdens een zitting bij de kantonrechter.
Het letselschadebureau stond deze meneer bij omdat hij door dat bedrijfsongeval arbeidsongeschikt was geraakt. De werkgever was daarvoor aansprakelijk gesteld maar weigerde categorisch, althans haar verzekeraar weigerde categorisch, de aansprakelijkheid te erkennen en daarmee de schade van deze meneer te vergoeden.
Ik kreeg het dossier toegezonden met het verzoek een haalbaarheidsadvies te geven.
Nu is het bij bedrijfsongevallen zo, dat de werkgever bijna altijd aansprakelijk is voor de schade die een werknemer lijdt bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Deze aansprakelijkheid grenst aan een risicoaansprakelijkheid. De werkgever moet aantonen dat hij er alles (maar dan ook echt alles) aan heeft gedaan om het ongeval te voorkomen. De werkgever in dit geval stelde niet alleen dat hij aan zijn zorgplicht had voldaan, ook stelde hij dat het ongeval mijn klant zijn eigen schuld was.
Met je handen in een draaiende machine om een stuk karton weg te halen is immers ook vragen om ongelukken, aldus de werkgever.
In de wet staat echter dat de werkgever zich niet kan beroepen op eigen schuld van de werknemer maar wel als er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Daarvan kan –volgens de Hoge Raad – pas sprake kan zijn als een werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval bewust moet zijn geweest van het roekeloze karakter van diens gedraging. Kortom, bijna nooit dus. Ik adviseerde te gaan procederen.
Ik geef mijn klanten altijd het advies op de zitting te komen gekleed in dezelfde kleren die ze normaal ook dragen. Dat had ik deze meneer beter niet kunnen adviseren. Meneer kwam in een morsige trui, een strakke joggingbroek die zijn overhangende buik niet volledig kon omvatten, sportsokken en op badslippers de rechtbank binnen. Omdat vrouwe Justitia geblinddoekt is en ik voor mijn gevoel een goed verhaal had, heb ik er niets van gezegd. Wat kon ik er ook nog aan doen.
De zitting verliep vervolgens uitstekend. De rechter had zijn huiswerk gedaan en veegde het eigen schuld verweer linea recta in de prullenbak.
Tijdens het kruisverhoor waaraan de rechter vervolgens de werkgever ter zake zijn zorgplicht onderwierp – het spannendste gedeelte van mijn zaak- klonk plots de toen zo bekende Nokia ringtone snerpend door de rechtszaal. Verschrikt keek ik op naar mijn klant die vervolgens naar zijn mobiele telefoon greep. Hij zal hem wel direct uitzetten en zijn excuses maken, dacht ik nog.
Niets was minder waar. Meneer nam de telefoon op en vertelde aan de beller hardop dat hij in de rechtszaal zat en dat zijn zaak heel goed ging. De Kantonrechter werd roder en roder en sommeerde mijn klant luidkeels de zaal onmiddellijk te verlaten als hij niet genegen was direct op te hangen. Mijn klant koos vervolgens voor het eerste en stiefelde bellend de zaak uit.
Mijn zaak, die ik zo zorgvuldig had opgebouwd en die al bijna had gewonnen was, ging letterlijk als een nachtkaars uit. De rechter stelde de werkgever nog een paar vragen voor de vorm, vertelde dat hij genoeg had gehoord en meldde partijen dat hij over 6 weken vonnis zou wijzen. De sfeer in de zittingszaal was volledig veranderd, mijn euforische gevoel van de nadere overwinning was als sneeuw voor de zon verdwenen.
Ik hoefde 6 weken later niet eens het vonnis te lezen om de uitkomst te weten.
Advocaduur
Geplaatst op: oktober 1, 2021
Vorige week was het de week van de rechtspraak.
“Jaarlijks organiseren rechtbanken en gerechtshoven in september één of meerdere activiteiten voor het publiek”, aldus https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Rechtspraak-in-Nederland/week-van-de-rechtspraak. De rechtbanken proberen in deze week de drempel wat te verlagen door allerlei inkijkjes in hun keuken te geven. Als u er al op geattendeerd werd was dat vast door radiocommercials van juridische dienstverleners. Die grijpen deze week vaak aan voor een extra reclamecampagne.
Is er eigenlijk ook een week van de advocatuur?, vroeg ik me af. Nee dus, die is er niet. Ik vroeg het mij af omdat ik vind dat ook in de advocatuur de drempel erg hoog is.
Die drempel hebben advocaten overigens zelfs zo hoog opgeworpen. Het is niet voor niets dat ik toen ik begon met het bijstaan van ondernemers altijd dezelfde grappen hoorde over het uurtarief en de vraag kreeg of de meter al liep. Wat me jaren geleden al opviel was dat ondernemers altijd te laat met hun probleem bij mij kwamen. Het was nooit vijf voor twaalf. Nee, het was altijd vijf over. Het was nooit, “Ik wil iemand ontslaan, wat nu?” Maar, “Ik heb iemand ontslagen, wat nu?”
Als dan een ondernemer de drempel van mij kantoor had beslecht, zijn probleem aan mij had voorgelegd en ik vroeg, Waarom nu pas? Was het antwoord steevast: “Jullie advocaten zijn te duur, voor elk telefoontje krijg ik een factuur en ik hoor altijd de meter op de achtergrond lopen”. Een serieuze drempel dus.
Toen ik -al kleren kopend in Emmen centrum- tegen de eigenaar van de plaatselijke mannenmodezaak uit frustratie mijn beklag deed over die domme ondernemers die altijd te laat bij mij kwamen voor advies werd hij oprecht geïrriteerd. “Als ze te laat bij je komen, wie is er dan dom?”, hield hij mij voor. Waarom moet tegenover iedere vraag ook direct een factuur staan? Waarom kan een klant niet gewoon een probleem aan je voorleggen zonder dat die de meter hoort lopen? Waarom biedt je ze niet een soort van abonnement aan?
Getriggerd door deze input bedacht ik het Juridisch ondernemers abonnement. Ik wilde van mijn klanten, tevreden klanten maken. Ik wilde de drempel verlagen en veel meer klantcontact hebben. Ik wilde een relatie aangaan in plaats van alleen een transactie. Toen ik dat idee aan mijn toenmalige kantoorgenoten voorlegde waren ze op zijn zachts gezegd sceptisch. “Dat kan toch helemaal niet? Dat kost je omzet”, zeiden ze in koor. Toen ik vervolgens vertelde dat ik mijn abonnementhouders (dus ook de bestaande klanten) 10% korting wilde geven op het uurtarief haakten sommigen helemaal af.
Toch heb ik het doorgezet en ik ben er blij mee. Nog belangrijker, mijn klanten zijn er blij mee. Het was toen zo vernieuwend dat we zelfs genomineerd werden voor “De Gouden Zandloper”, een prijs voor de meest innovatieve prijsafspraak in de advocatuur.
De meeste abonnementhouders (waarvan de mannenmodezaak de eerste was) zijn dat al jaren. De lijntjes zijn kort, een probleem wordt vaak besproken in de fase dat het nog betiteld kan worden als mogelijk probleem en de klantcontacten zijn enorm toegenomen. Mijn klanten bellen mij voor advies, leggen mij overeenkomsten ter controle voor en als een probleem onverhoopt toch uitmondt in een echte zaak betalen ze mijn uurtarief en krijgen daarop 10% korting.
Tegen mijn kinderen zei ik vroeger op vaderdag, als ze weer eens vroegen waarom er geen kinderdag was, dat het elke dag kinderdag was. Eigenlijk zou het wat mij betreft-om de drempel blijvend te verlagen- ook elke week de week van de advocatuur mogen zijn.
Edelachtbare!
Geplaatst op: september 24, 2021
Geen advocaat vergeet zijn eerste zitting, ik uiteraard ook niet. Al was het alleen al omdat ik mij zo overtuigend versprak dat ik van mijn collega’s nog jaren die verspreking voor de voeten geworpen kreeg.
Mijn eerste zitting was in een verzoekschriftprocedure voor een letselschadeslachtoffer. Het moet denk ik eind 1998 of begin 1999 zijn geweest. Dat was de tijd dat verzekeraars- en slachtofferadvocaten- elkaar de tent uitvochten met allerlei verzoekschriftprocedures waarin vooral de vraag of, en zo ja, welke deskundige benoemd moest worden om het ongevalsletsel vast te stellen.
In deze zaak was het de verzekeraar die de procedure was gestart en de rechter had verzocht een deskundige te benoemen waarvan iedereen wist dat hij niet geloofde in whiplashletsel. Als deze deskundige zou worden benoemd werd het zeker een verloren zaak voor mijn client.
Aan mij de taak om in mijn eerste zitting ooit (bij de rechtbank Utrecht) te voorkomen dat de door de verzekeraar gewenste deskundige zou worden benoemd èn om er voor te zorgen dat een deskundige van onze voorkeur zou worden benoemd. Mijn patroon -de eerste drie jaar als advocaat sta je onder begeleiding van een ervaren kantoorgenoot- die gepokt en gemazeld was in de letselschade vergezelde mij naar Utrecht. De eerlijkheid gebied te zeggen dat zijn betrokkenheid wellicht goed bedoeld was maar op mij een averechts effect had. Ik werd er alleen maar nerveuzer van, zeker toen hij vanaf de rij stoelen achter mij hoorbaar commentaar gaf op mijn optreden.
Ik had een tegenverzoek ingediend bij de rechtbank en een pleidooi voorbereid om de rechter er van te overtuigen toch vooral de deskundige van mijn keuze te benoemen, uiteraard onderbouwd met eerdere uitspraken in soortgelijke zaken.
Aan het begin van mijn pleidooi werd ik echter vrij snel door een norse rechter onderbroken. Hij stak niet onder stoelen of banken dat hij de discussie tussen partijen maar zonde van zijn tijd vond en hij vroeg zich hardop af of de stukken die ik had geproduceerd en dus mijn verzoek om een andere deskundige te benoemen wel op juiste wijze was ingediend. Had ik het verzoek eigenlijk wel goed vormgegeven, vroeg de rechter zich hardop af.
Op dat moment zag ik mijn client vragend naar mij opkijken -ik pleitte staande- en hoorde ik mijn patroon achter mij hardop zuchten. Ik voelde mij kleiner worden maar dacht op dat moment dat ik toch echt ergens gelezen had dat mijn tegenverzoek wel degelijk kon en meende me zelfs de juridische term te herinneren. Ik twijfelde geen moment en protesteerde hevig door te roepen (voor mijn gevoel riep ik het net iets te hard):
“Edelachtbare! Dit is een intramuraal rekest en dat kan zeker in deze zaak”.
NB: rekest is een ander/duur woord voor verzoek.
Wellicht wat geschrokken van mijn enthousiasme en misplaatse overtuiging mompelde de rechter iets in de trant van “dat zal dan wel, gaat u door”.
Na die zitting – die verder vlekkeloos verliep en waarbij mijn tegenverzoek werd ingewilligd- kreeg ik van mijn patroon (hoofdschuddend) te horen dat een intramuraal rekest echt niet bestond. Mijn tegenverzoek werd een antidotaal rekest genoemd, zo begreep ik.
Nog jaren werd ik door mijn collega’s aan mijn intramurale rekest herinnerd als ik weer eens een verzoekschrift op moest stellen. Ik had echter direct tijdens mijn eerste zitting geleerd dat het soms de toon is die de muziek maakt.
Han Venema
Vrijmiblo
Geplaatst op: september 10, 2021
Donkerrood
Aan het einde van de vakantieperiode word ik zowel in mijn zakelijke bestaan als in mijn privéleven weer geconfronteerd met de Corona-kleurcodes. Heel lang heeft de kleur van Nederland geen rol van betekenis gespeeld, volgens mij. Zelfs de oranjegekte heeft deze zomer alleen maar in haar meest fletse hoedanigheid de kop opgestoken en verdween (met het schaamrood, dat dan wel) weer snel van het toneel.
Vorig jaar, zeg maar de eerste Corona-zomer, stond mijn telefoon roodgloeiend met vragen over quarantaines, vakanties van werknemers naar oranje gebieden en de arbeidsrechtelijke consequenties daarvan. Wat mocht de werkgever wel en vooral niet en hoe repressief kon de werkgever optreden?
Deze zomer zou de wereld er heel anders uitzien. Althans een aantal weken geleden, voordat de zomer echt begon, was dat de belofte aan ons burgers van Nederland. De “Summer of Love” werd al gezegd. Je hoorde bijna niemand meer over de kleurcodes van vakantielanden en angst voor quarantaines. Dat hoefde immers ook niet. Heel Europa stond zo’n beetje op groen en iedereen die dat wilde kon voor 1 juli 2022 deels of volledig gevaccineerd zijn.
Nu de vakanties voorbij zijn zullen menig werknemer en werkgever elkaar toch weer aankijken. Anders dan vorige zomer bestaat de wereld nu immers uit gevaccineerden en niet-gevaccineerden.
En hoewel je als werkgever niet aan de werknemer mag vragen of hij/zij gevaccineerd is (althans de werknemer hoeft daar geen antwoord op te geven) zal de niet-gevaccineerde werknemer die afreisde naar een rood gebied het risico hebben gelopen bij terugkomst in quarantaine te moeten. Als dat zo is en er kon niet thuis gewerkt worden zal die quarantaine voor eigen rekening zijn geweest. Zijn collega die op dezelfde camping stond maar wel was gevaccineerd kon gewoon zonder quarantaine weer aan het werk gaan.
De ontspannen “Summer of love” is het dus niet geworden en waarschijnlijk wordt in arbeidsrechtelijke zin de nazomer er één met veel corona-gerelateerde arbeidsrechtelijke vraagstukken. Dat begint al met de bedrijven die alleen gevaccineerden toe willen laten op de werkplek en ziekenhuizen die alleen gevaccineerden willen toelaten op de ziekenhuisafdelingen waar de meest kwetsbaren worden verpleegd. Dat terwijl de tendens (de wet) nu zo luidt dat werkgevers niet eens mogen vragen naar het al dan niet gevaccineerd zijn van hun personeel. De balans tussen het creëren van een veilige werkplek voor personeel en klanten en de eerbiediging van de privacy en de lichamelijke integriteit zal de komende periode een zoektocht opleveren voor iedere werkgever. Het laatste woord is daarover (in arbeidsrechtelijke zin) nog niet gezegd en/of uitgesproken.
Wederzijds begrip en respect en open communicatie zal op de werkvloer zeker nodig zijn. Ik wens een ieder daarin veel wijsheid toe.
Han Venema
Worteltjestaart
Geplaatst op: augustus 31, 2021
“Je moet eens wat vaker iets op je site zetten”, aldus mijn webbouwer. Als je gevonden wilt worden op het wereldwijde web moet je daar klaarblijkelijk ook zelf wat voor doen. Ik dacht dat de algoritmes van de tech-reuzen dat voor mij deden. Deels dus, blijkt nu.
Deels moet ik het zelf doen.
Omdat Punt een nieuwe site lanceerde, een site waarin duidelijk moet blijken dat Punt (ik dus) zowel letselschadezaken als ondernemerszaken doet, komen er weer allerlei obligate vragen aan de orde.
Hoe moet jouw site eruit zien? Waarom heeft jouw ondernemers praktijk een heel ander logo dan jouw letselschadepraktijk/ Waaruit blijkt dat jij Punt Advocatuur bent? Wie is die Dio Medas eigenlijk die ik altijd aan de telefoon krijg? Waarom kies je niet 1 vakgebied? Vragen die het verdienen eens serieus opgepakt en beantwoord te worden. Vragen die ook aanzetten tot acties.
Ik heb me dan ook voorgenomen om iedere vrijdag een blogje ( zo heet dat toch?) te schrijven; de VRIJMIBLO.
Leuk voornemen, nu de invulling nog.
De vraag is. Wie zit er te wachten op de belevenissen van een advocaat?
Anderzijds; ik heb wel een prachtig beroep waarin genoeg gebeurt.
Dus; “Laten we het maar proberen.”, vrij naar Herman Finkers.
Wellicht kan ik de eerste VRIJMIBLO gebruiken om uit te leggen waarom ik actief ben op twee totaal verschillende werkgebieden. Waarom ondernemersrecht en letselschade?
Ik ben mijn werkzame carrière begonnen in de letselschade. Na afgestudeerd te zijn in 1994 was er voor juristen eigenlijk geen werk. Sollicitatiebrieven werden beantwoord met de melding dat ik één van de zoveel honderden belangstellenden was. Werkeloosheid was dan ook mijn voorland.
Via-via kon ik onbezoldigd ervaring opdoen bij een letselschadekantoor in Groningen. Ik vond het direct leuk werk. Via dat kantoor viel mijn oog op een post academische opleiding (via de RUG) letselschade en een vacature bij Unive. Het werd een baan bij Unive met als voorwaarde het volgen van die postacademische opleiding. Twee vliegen in één klap. Na het afronden van de opleiding en na een aantal jaren op kantoor bij Unive werd ik gebeld door een oud medecursist die me adviseerde te solliciteren bij een nieuw op te richten advocatenkantoor in Emmen, gespecialiseerd in letselschade.
Daar aangenomen en werkend voor letselschadeslachtoffers werd duidelijk dat als je tegen verzekeraars optreedt je een dikke huid moet hebben, niet bang moet zijn het woord bij de daad te voegen en dus ook echt te gaan procederen als het slachtoffer onrecht word aangedaan.
Mijn slagkracht en gecontroleerde agressiviteit in letselschadezaken werd ook opgemerkt door ondernemers. Steeds vaker kreeg ik de vraag of ik ook incasso’s deed, of ik een arbeidsconflict kon oplossen en meer van dat soort vragen waar vooral ondernemers tegen aanliepen.
De eerste maanden dat ik die vragen kreeg verwees ik keurig door naar andere gespecialiseerde ondernemerskantoren. Wij deden immers alleen letselschade, wij waren een niche kantoor.
Tot op een gegeven moment ik aan de mop van het konijn en de worteltjestaart moest denken en ik dacht; “Als er vraag is naar worteltjestaart, dan moet ik die toch ook zelf gaan bakken!?”
Vanaf 2002 ben ik daarom begonnen ook ondernemers bij te staan. Eerst mondjesmaat maar al snel was het aandeel ondernemerszaken net zo groot en soms groter dan de letselschadezaken. Straks doe ik dus bijna 20 jaar zowel ondernemerszaken als letselschadezaken.
Ik heb nooit willen maar ook nooit hoeven kiezen. Beide takken van sport hebben hun eigen eigenaardigheden, aardigheden en aanpak. Wat ik ervaar en leer in de ene praktijk komt van pas in de andere. De proceservaring in de letselschadepraktijk geeft me zekerheid in de ondernemerspraktijk en de veeleisendheid en snelheid die ondernemers verwachten in hun zaak komt van pas in de behandeling van mijn letselschadezaken.
Ik doe beide praktijken met heel veel plezier, passie en toewijding.
Deze nieuwe site, die er nu is moet dat ook uitstralen. Ik hoop dat dat gelukt is.

Han Venema